Preek in het Gasthuis op zondag 1/9/2019

Preek in het Gasthuis. Leerdienst LATE op zondag 1 september 2019. Gelezen werd uit de sidra Reëe (Ziet!) Exodus 11, 26-32 en 15, 1-18 uit de Haftara Jesaja 66, 1-9 en uit het evangelie: Luc. 16, 1-13

Lieve vrienden,

De zeven verzen die Adriaan aan het begin heeft voorgelezen, zou je wel kunnen beschouwen als het hart van het boek Deuteronomium. Het zijn de inleidende woorden op de tweede grote rede van Mozes, maar ze spelen door het hele boek een rol. Zie ik stel voor u, ik geef aan uw aanschijn vertaalt Piet Oussoren heel letterlijk, zegen en vloek. Zegen als je je houdt aan mijn geboden, vloek als je je niet houdt aan mijn geboden. Nechama Leibowitz, die een mooi en uitvoerig commentaar op de hele tora schreef, wijst erop, dat de Midrasj bij deze eerste verzen van onze sidra, twee buitengewoon belangrijke conclusies trekt. De eerste luidt, dat er in het Jodendom, anders dan in de christelijke theologie, geen discussie bestaat over de vraag of de mens een vrije wil heeft. Zie, ik stel voor u… dat wil zeggen: ik stel u voor een keuze, het staat jou vrij om het goede of het kwade te kiezen, al heeft dat gevolgen. Dat is de eerste conclusie. De tweede is exegetisch wat ingewikkelder, maar minstens zo belangrijk. Ik vertaal daarom maar even letterlijk de tekst van de Midrasj: “Ik stel voor u zegen en vloek… daarop zei Rabbi Eliezer: Zodra de Almachtige deze woorden uitsprak op de Sinaï, uit de mond van de Allerhoogste is kwaad en goed niet voortgekomen, maar het kwade overkomt degene die kwaad doet en het goede degene die goed doet. Rabbi Eliezer refereert hiermee aan een tekst uit de Klaagliederen. Zegen en vloek is dus niet primair een zaak van beloning of straf, die beiden door de Eeuwige worden uitgedeeld, maar zegen en vloek is een aankondiging van wat er staat te gebeuren. Als jij er een rotzooi van maakt, dan leef je in een rotzooi, als jij van deze aarde een paradijs maakt, dan leef je in een paradijs. Het zou te simpel zijn om deze uitleg van de tora simpelweg tegenover de predestinatie-opvatting van Luther of Calvijn te zetten. Want een ieder die meent, dat Calvijn met zijn predestinatieleer bedoeld heeft te zeggen, dat alles voorbeschikt is en dat het volstrekt oninteressant is wat jij wel of niet kiest, wat jij wel of niet doet, heeft Calvijn slecht begrepen en Bonhoeffer heeft altijd volgehouden, dat een ieder die meende in navolging van Luther te moeten zeggen: het doet er niet toe wat je doet, het is enkel genade, een wel erg goedkope genade verkondigde en verkocht en wat hem betreft een pseudo-Lutheraan was, iemand die Luther al dan niet bewust verkeerd uitlegde. En als Miskotte in de tegenstelling tussen de joodse correlatieleer (dat is dat God en mens samen werken aan een betere wereld) en de christelijke predestinatieleer, toch uiteindelijk voor de laatste kiest, dan is dat niet omdat hij de gedachte ontkent, dat de mens de opdracht heeft het werk van de schepper aan te vullen en te voltooien, maar omdat hij duidelijk wil hebben, dat het zwaartepunt ligt bij datgene wat van Godswege geschied is. Dat alles gezegd zijnde: staat het er toch maar: zegen en vloek. En dat als het volk op het punt staat het land binnen te gaan. Wat zal het zijn: ik leg het in jullie handen, je kunt er een land van maken, dat overvloeit van melk en honing, je kunt er ook een geweldige puinhoop van maken. Als je het eerste wilt, dan is er geen ontkomen aan, dan zul je bepaalde uitgangspunten, bepaalde wetten moeten eerbiedigen. Als je dat niet doet, loopt het uit de hand. Het keiharde bewijs van deze stelling, hoef ik u niet te leveren, niet alleen de geschiedenis van Israël, maar ook de wereldgeschiedenis is er het duidelijkste voorbeeld van. We zouden alle dingen gemeenschappelijk kunnen hebben en met alle mensen in vrede leven, maar het gebeurt niet. Je kunt dat aan de omstandigheden, die Verhältnisse, wijten, maar je kunt ook, zoals collega Tom Mikkers in de Trouw van afgelopen donderdag betoogde, ophouden met alle vrome vriendelijkheden (door hem aangeduid als religieuze jeukwoorden) en het weer hebben over zonde. Dingen gaan mis, omdat mensen domweg weigeren om dat te doen wat goed is voor de mensheid als geheel, omdat mensen op hun eigen belang uit zijn en daarmee de belangen van anderen schaden. Dat aan de orde stellen is geen vorm van moralisme, maar is onszelf en anderen steeds opnieuw duidelijk maken, dat er allerlei situaties zijn, waarin we keuzes kunnen maken, keuzes ten goede of keuzes ten kwade. Dat we daarmee de wereld niet gelijk veranderen, omdat onze invloed maar gering is, is zo helder als glas, maar het maakt uit, het maakt in ieder geval in de ogen van God uit, of we domweg meegaan met het grotere kwaad, of ons daartegen verzetten. Zegen of vloek! Ik zei, dat het volk voor die keuze wordt gesteld, wanneer ze het beloofde land binnentrekken. Dat is binnen de setting van het verhaal juist. Maar zoals we weten dat Mozes zijn eigen redevoeringen niet op Schrift heeft gesteld en zeker in het boek Deuteronomium geen verslag zal hebben gedaan van zijn eigen dood, weten we ook dat dit boek veel later (wellicht in de tijd van koning Josia, misschien nog later) geschreven is. Israël is dan al lang geen nomadisch stammenverband meer, maar een gevestigd koninkrijk met een eigen economie. Wat een simpele keuze was tussen zegen en vloek, vraagt nu om een veel uitvoeriger analyse. Er is een koning, er wordt belasting geheven en pacht geïnd. Grond verwisselt van eigenaar, sommigen worden rijk en anderen raken dusdanig aan de bedelstaf, dat ze zichzelf moeten verkopen als slaaf. Als je je dan nog aan de woorden van de Eeuwige wilt houden en daarmee kiezen voor de zegen, dan vraagt dat wel wat meer. De oude kerk noemde dit bijbelboek Deuteronomium, tweede wet, een wet die nader uitwerkt waarover het gaat. Daarover gaat de rest van onze sidra. En zoals eerder al eens betoogd is: in de tora is er geen strikt onderscheid tussen z.g. religieuze geboden en z.g. algemene geboden. Ook de ‘economische paragraaf’ is onderdeel van de tora en het hoort bij je gelovige plicht om je daaraan te houden, want doe je dat niet dan loopt het mis. Het vijftiende hoofdstuk, dat ik heb voorgelezen, spreekt daarvan. Het gaat er nu juist over, dat je nog zulke mooie uitgangspunten kunt hebben en nog zo’n goede en eerlijke verdeling van heel het land gemaakt kunt hebben, maar na verloop van tijd, is daar weinig van terug te vinden, dan zijn er toch grootgrondbezitters en lijfeigenen, want ja zo gaat dat, waar gehandeld wordt, en zeker waar die handel geen ruilhandel meer is, maar in geld wordt afgerekend, daar ontstaan verschillen. En wee degene, die dan wil zeggen, dat gezegend is wie het voor de wind gaat en vervloekt, wie het tegenzit in de wereld. Het verhaal over zegen en vloek kan alleen functioneren in een wereld, waar het eerlijk toegaat en ieder zijn terechte aandeel krijgt. Hoe los je dat op? Een sabbatsjaar. Iedere zeven jaar worden schulden kwijtgescholden en iedere vijftig jaar keren bezittingen terug naar de oorspronkelijke eigenaar. Hier, in dit vijftiende hoofdstuk gaat het over de kwijtschelding in het zevende jaar. Geen accumulatie van schulden, maar een mogelijkheid om uit de schuld te komen, weer vrij mens te worden. Als je gezegend bent, dan ben je het om ook voor anderen tot zegen te zijn. Opnieuw wordt in dit hoofdstuk herinnerd aan de woorden over de zegen. Over de vloek wordt hier even niet gesproken. Nee, laten we ervan uitgaan dat wanneer het land eenmaal in bezit is genomen, jullie een gezegend volk zijn. Als dat zo is, dan zul je alles doen, om dat zo te houden en daarom is er een kwijtschelding in het zevende jaar. En daarom, zeg je in het zesde jaar niet tegen iemand die van je wil lenen: mooi niet, we zijn malle pietje niet, dan moet ik het je volgend jaar alweer kwijtschelden! Nee, je leent aan wie je daarom vraagt. Er staan in dit hoofdstuk twee volstrekt tegenstrijdige uitspraken: in vers 4 lezen we: “Overigens zal er geen arme bij jou wezen, want met zegen zal de ENE je zegenen in het land” en in vers 11: “Omdat er wel nooit een arme zal wegblijven uit de schoot van het land, juist dáárom gebied ik het je en zeg ik: open zul je je hand voor je broeder openen, voor de berooide bij jou en de arme bij jou in je land”. In vers 4 wordt gesproken over hoe het eruit ziet in een land waarin nadrukkelijk gekozen wordt voor de zegen, vers 11 daarentegen weet van de harde werkelijkheid. In die situatie, wordt nu over de zegen gezegd, dat de ENE je zal zegenen als je gul bent en je naaste bijstaat. Als je denkt dat zegen betekent dat het je maatschappelijk steeds beter gaat (het zogenaamde welvaartsgeloof) dan klopt dat niet, maar zegen betekent, dat je in een beter land woont, dat er eerlijker verhoudingen ontstaan, dat vraagt om economische regels en die worden gegeven: kwijtschelding van schulden en vrijlating voor diegenen die zichzelf als slaaf hebben moeten verkopen.

In de tijd van Jezus, weer zo’n zes à zeven eeuwen later, is de torarepubliek, zoals men die probeerde te realiseren met diegenen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, alweer voorbij. Eerst zijn het de Hellenisten, die in Jeruzalem de dienst uitmaakten en daarna zijn het de Romeinen. Daar geldt het Romeinse recht. Bezit is absoluut, een Romeins burger mag een slaaf die hem niet gehoorzaamt ter plekke doodslaan en in de Verenigde Staten heeft iedere burger niet alleen het recht een wapen te bezitten en zelfs om dat te gebruiken, wanneer iemand zijn huis binnendringt om zijn bezit te stelen. Niet het menselijke leven, maar de bezitsverhoudingen staan centraal in deze wetgeving. Dat er sprake is van zowel verrijking als verarming in het land, interesseert de Romeinen niet, zolang er maar belasting wordt afgedragen. Sabbatsjaren en jubeljaren – ik geef toe historisch bewijs dat er ooit een periode is geweest, waarin die instelling algemeen gepraktiseerd werd, is er niet – zijn nu zeker niet meer aan de orde. Schuld is schuld en betalen zul je en anders wordt je vastgezet, totdat je de laatste penning betaald zult hebben. Hier regeert de Mammon en die regeert absoluut. Hoe zal nog iets van de tora, iets van die andere gerechtigheid, van die andere opvatting van economie, van kwijtschelding en vrijlating, overeind worden gehouden in die situatie. Daarover gaat de gelijkenis uit Lucas 16, de gelijkenis die we plachten aan te duiden als de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester, ondanks het feit, dat deze huismeester (een letterlijker vertaling van oikonomos, econoom) door zijn heer geprezen wordt. Oussoren vertaalt: de huismeester vol ongerechtigheid, het is een econoom die om moet gaan met de onrechtvaardige Mammon. Het is een econoom (wat zouden we er graag meer van zien), die weet dat het systeem niet deugt, dat het systeem niet eerlijk is, omdat het per definitie de rijken rijker en de armen armer maakt: hoe ga je daarmee om? In eerste instantie wordt gezegd, dat hij bij zijn heer wordt aangeklaagd omdat hij zijn bezit verkwist. Ik herinnerde me, dat Tom Naastepad, die ook ooit deze gelijkenis heeft uitgelegd, vertaalde met ‘rondgestrooid’, u begrijpt voor het vermogen van zijn baas is het even schadelijk, verkwisten of rondstrooien, maar de associatie is verschillend, in het ene geval is hij sinterklaas in het andere geval een losbol. Hoe dan ook, regels zijn regels, wie geld van een ander beheert moet verantwoording afleggen, het is zijn plicht om zo mogelijk te zorgen dat het vermogen van zijn heer groeit en of hij het nu verkwist of rondstrooit…. Zo is het, hij wordt ontslagen. Wat zal hij doen: zal hij om vergiffenis smeken en beloven strenger dan ooit te waken over het vermogen van zijn heer. Nee, dat doet hij niet. Hij kent de wetmatigheid van zijn tijd, hij weet dat dit hem onherroepelijk zijn baan kost en dat het ook geen aanbeveling is om elders aan de slag te komen. En wat doet hij: hij gaat door met rondstrooien. Kwijtschelden van schulden, dat zit er niet in, maar een beetje sjoemelen, er hier en daar wat afhalen…. zo maak je vrienden met de onrechtvaardige Mammon. En de Heer, de Heer van wie we opeens begrijpen, dat hij niet de almachtige opperbaas is, die alles als zijn absolute bezit beschouwt, maar de God van de tora, hij prijst deze econoom, omdat hij er gegeven de omstandigheden het beste van gemaakt heeft, omdat hij zo dicht mogelijk gekomen is bij een cultuur van kwijtschelding en vergeving.

Dat is ook onze situatie. Een totaal andere, een eerlijke samenleving, het zit er op dit moment niet in. We kunnen bij de pakken gaan neerzitten en zeggen dat al onze dromen in duigen zijn gevallen en dat het toch nooit meer wat wordt, maar we kennen ook kijken wat er in deze vrij hopeloze situatie nog gedaan kan worden. Kleine stapjes op weg naar iets meer gerechtigheid. In ieder geval protest aantekenen tegen de oppermacht van de Mammon, de God van het geld, onze almachtige economie. We kunnen het er met elkaar over hebben dat er meer is dan economie, we kunnen gul zijn, we kunnen een dief worden van onze eigen portemonnee en niet beleggen maar doneren wat we toch niet nodig hebben. Wij kunnen misschien een paar procentjes afhalen van de collectieve schuld. We kunnen in ieder geval een keuze maken, kiezen voor de zegen en tegen de vloek, in de overtuiging dat het ertoe doet, wat we doen of laten, minder dan we droomden of hoopten, maar het is niet niets. Hoe dat zit met predestinatie en vrije wil, dat blijft een lastige kwestie, maar één ding is zeker: als we geloven in de predestinatie van de economie (dat de rijken rijker en de armen armer worden en dat er om de zoveel tijd een stevige crisis komt, waarna het weer op dezelfde voet verder gaat) dan zijn we verkocht. Wij leven van de hoop, van de hoop op zegen. Amen.

 

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.