Preek in de Willem de Zwijgerkerk 15/11/2019

Preek in de Willem de Zwijgerkerk (Amsterdam Zuid) op zondag 15 december 2019 (derde advent).

Gelezen werd Jesaja 35 en Mattheus 11, 2-11.

Gemeente van Christus,

Jesaja 35, we kennen het eigenlijk vooral als lied. De oude berijming, een van de tophits uit de hervormde bundel van 1938 van J.J.L. ten Kate: De dorre vlakte der woestijnen. Ik weet nog hoe teleurgesteld velen waren, dat juist dit razend populaire lied in het liedboek van 1973 niet werd opgenomen. Het tweede, inmiddels minstens zo populaire lied ‘De Steppe zal bloeien’ van Huub Oosterhuis verscheen kort daarna en werd voor de protestanten pas opgenomen in de bundel Tussentijds en vervolgens in het huidige Liedboek van 2013. Wie de tekst van Jesaja 35 leest begrijpt waarom het geïnspireerd heeft tot deze populaire liederen: het is een schitterend visioen over een nieuw begin, misschien wel een nieuwe wereld. Hoe dit nu precies op die plaats in het profetenboek van Jesaja terecht is gekomen, daarover zijn de wetenschappers het nooit eens geworden. Eigenlijk eindigt de eerste Jesaja in hoofdstuk 34, waarna de redacteuren van de bundel vervolgens hebben gedacht, dat er in het 2 Koningenboek ook nog een groot verhaal staat, waarin de profeet Jesaja een belangrijke rol speelt. Het verhaal van koning Hizkia. Dat is toen toegevoegd, als de hoofdstukken 36 tot en met 39. Kennelijk vond men de overgang van het eerste boek dat eindigt met een wraakpsalm over het verschrikkelijke lot dat Edom zal treffen, naar het verhaal over Hizkia, een koning die in alle opzichten zal lijken op zijn verre voorvader koning David, wat abrupt en is toen deze heilsprofetie ingevoegd: De steppe zal bloeien. Je denkt, het wordt niets meer, het is over en uit, eerst de Assyriërs en dan de Babyloniërs, wat de eerste nog over heeft gelaten, wordt door de tweede afgevoerd. En toch: er is toekomst, de steppe zal bloeien. Toen de jonge staat Israël begon de Negev-woestijn te irrigeren en vruchtbaar te maken, waren er vrome Joden en christenen, die de profetie in vervulling zagen gaan. Het is anders gelopen. De Negev is te gevaarlijk om daar als toerist door te trekken en door heel Israël staan controleposten en muren om de verschillende bevolkingsgroepen, joden en Arabieren uit elkaar te houden. Zal die woestijn nog gaan bloeien, is er nog hoop? We weten niet zoveel over de herkomst van deze profetie of over de tijd waarin die geschreven is, maar één ding is wel duidelijk: in de tijd dat dit visioen werd beschreven waren de mensen zeker ook niet erg hoopvol gestemd. Er wordt gesproken over slappe handen en wankele knieën, de mensen zien het niet meer zitten, alles wat ze zien is één grote puinhoop. Ik zou me zomaar voor kunnen stellen, dat dit de reactie was van de terugkerende ballingen. En toch wordt er gezongen. Bertolt Brecht schreef ooit de prachtige zinnen: ‚In den dunkelen Zeiten, wird da auch gesungen. Ja, da wird auch gesungen, von den dunkelen Zeiten‘. Maar zingen in donkere tijden, dat doe je omdat je licht meent te zien aan het einde van de tunnel, je zingt tegen het duister in, je zingt jezelf boven de wanhoop uit. Het is niet toevallig dat het prachtige lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomen met name op begrafenissen veel wordt gezongen.

De tweede helft van de profetie, waarin wordt gesproken over een effen baan, een weg die de Heilige weg wordt genoemd, doet denken aan de volgende even veelvuldig bezongen profetie uit het Jesajaboek ‘Troost, troost mijn volk’ waar gesproken, of liever gezongen wordt over een stem van iemand die roept in de woestijn: maak recht in de wildernis een gebaande weg voor God. En dan zijn we als vanzelf bij Johannes de Doper, die deze boodschap van Jesaja zal overnemen. En heel vaak wordt dat verhaal uit Lucas 3 dan ook gelezen naast de profetie van Jesaja, maar dit keer komen we wel bij Johannes de Doper uit, maar bij een Johannes de Doper, die bijna nog dichter komt bij de situatie die de achtergrond van het visioen vormt. Johannes zit in de gevangenis en daar verneemt hij de verhalen over het optreden van Jezus van wie hij heeft gezegd, dat hij nog niet waard is zijn sandalen dicht te maken. Hij heeft gesproken over het koninkrijk dat nabij was gekomen, hij heeft er helemaal in geloofd, maar toch. Daar zit hij in de gevangenis van Herodes en wij als lezers weten al hoe het met hem af zal lopen. Hij moet het weten! Was dit het allemaal wel waard. Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander. Het is niet meer of minder dan de grootste vraag in het gesprek van Joden en Christenen. Is de Messias al gekomen of verwachten we hem nog steeds? Een snelle conclusie: wij zeggen ja, de joden zeggen nee! Dat is inderdaad een veel te snelle conclusie. Hoe komt het dat de wereld nog is, zoals ze is, als de Messias al gekomen is?, vragen de joden zich terecht af. En tegelijk: er zijn mensen voor hem door het vuur gegaan. Martelaren die bereid waren hun leven te geven voor hun geloof in Christus. Niet alleen in de eerste jaren van het christendom, maar ook in de laatste eeuw. Ik denk aan Edith Stein, Dietrich Bonhoeffer en Martin Luther King. Maar evengoed hebben mensen vanwege hun geloof in Jezus Christus gemeend, wie in hem niet de Messias zagen, de Joden voorop, te vuur en te zwaard te moeten bestrijden, eeuwen van discriminatie en Jodenvervolging, die uiteindelijk mede tot Auschwitz hebben geleid. Nee, laten we niet te snel oordelen. Laten we in alle rust en eerlijkheid tegen elkaar zeggen: voor ons is hij de Messias, want zonder hem zouden wij de weg naar de God van Israël, de God van de tora nooit gevonden hebben. Maar of dat betekent dat hij ook de weg, de enig juiste weg, voor Joden is? Ik durf het niet meer te zeggen. Ik herinner mij het jaar 1984, in Wuppertal-Barmen werd herdacht dat daar vijftig jaar eerder de Barmer Thesen waren geschreven. Een dapper Woord tegen Hitler, die tegen hem zei, jij bent niet de openbaring van God, jij bent niet de Heiland van het Duitse volk: wij belijden. dat Jezus zegt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij. Op die herdenking sprak de grote Joodse geleerde Pinchas Lapide en de titel van zijn voordracht luidde: “Jeder kommt zum Vater”. Hij wilde de Barmer Thesen niet afvallen, hij wilde niet zeggen, jullie zitten er helemaal naast, zo gaat dat niet, maar hij zei: Iedereen komt tot de Vader, jullie christenen misschien via Jezus en wij via de Tora, maar God wil Vader zijn van al zijn mensenkinderen. Dat Barmen een dapper woord tegen Hitler was, maar dat daarin gezwegen werd over het lot van de Joden in Nazi-Duitsland, dat kon door niemand ontkend worden, maar in plaats van een requisitoir klonk daar, nota bene in Duitsland, een woord van verzoening uit de mond van een Jood. Dat roept ons christenen om nieuwe bezinning. De weg, de waarheid en het leven, dat is de tora. Maar als de evangelist Johannes over Jezus zegt, dat hij de weg, de waarheid en het leven is, dan bedoelt hij volgens mij te zeggen: Jezus heeft die tora, waarvan hij gezegd zou hebben, dat er geen tittel of jota van komt te vervallen, helemaal begrepen. Hij bedoelt niet te zeggen – al is hij sinds jaar en dag zo begrepen – Vergeet die tora nu maar, van nu af aan is Jezus de weg, de waarheid en het leven. Jezus verwijst in zijn antwoord naar wat er gebeurt: blinden worden ziende, kreupelen lopen weer, melaatsen worden genezen, doven horen weer , doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd. Waarbij wel bedacht moet worden, dat als in het evangelie iets evangelie wordt genoemd er nog geen boek is waarin de evangeliën staan, dan wordt daarmee bedoeld: de goede boodschap, de rechte uitleg van tora en profeten. Jezus wil Johannes niet afvallen, hij noemt hem de grootste onder allen die uit vrouwen geboren zijn, maar er wordt op meer gegokt, een wereld aan Johannes en zijn Messiasverwachting voorbij, een nieuwe messiaanse tijd, de tijd van het koninkrijk. De vraag of dat koninkrijk aangebroken is, lieve mensen, ik durf dat werkelijk niet met ja te beantwoorden. Ook wij leven in de verwachting, zijn mensen van de advent. We weten dat het in Jezus heel dichtbij gekomen is, zo dicht bij dat we het bijna vast konden pakken. ‘Bijna binnen handbereik’, zo luidde de titel van de Nederlandse vertaling van één van de mooiste boeken die ik ooit gelezen heb: ‘Just above my head’ van James Baldwin. Ieder jaar opnieuw worden we er in de advent aan herinnerd, dat het zou moeten kunnen, dat het zo dicht bij is, een wereld van vrede, een wereld zonder honger. We weten dat het kan, we weten ook dat het ons steeds weer niet lukt. Maar daar leggen we ons niet bij neer. We blijven erin geloven. En zoals de Joden met Chanoeka het feest van de lichtjes vieren, als herinnering aan het verhaal dat het licht van de menora in de tempel met olie voor één dag acht dagen brandde, zo mogen wij ieder jaar opnieuw met Kerst en Advent geloven, dat het licht door zal breken in onze donkere wereld. Ik zeg niet dat de twee feesten hetzelfde zijn, maar wel dat we het als verwant zouden kunnen vieren en een einde maken aan zinloze tegenstellingen. Wij beide, joden en christenen verwachten de komst van de Messias, zijn definitieve doorbraak. Hoe dat zal zijn en zelfs wie dat zal zijn, dat weet God alleen. Hem alle eer. Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.