Jozef en zijn broeders

Jozef en zijn broeders

 

(voordracht gehouden op 25 januari 2010 voor het Fries leerhuis de Olterterperkring te Beetsterzwaag)

 

De opdracht die mij werd gegeven, namelijk om te spreken over Jozef als Bijbelse figuur in het licht van de ontmoeting met Jodendom en Islam, stelt mij voor een groot aantal problemen. Ik zal, met uw welnemen, eerst proberen die problemen zo goed mogelijk in kaart te brengen en vervolgens ondanks dat alles proberen aan de mij gegeven opdracht te voldoen.

Het eerste probleem is een open deur, maar wel één van de meest schokkende aard: er is in Nederland vrijwel geen ontmoeting met Jodendom en Islam? Heel soms en hier en daar is er sprake van een schoorvoetende dialoog van christenen met hetzij Joden, hetzij moslims, maar van een trialoog is voor zover ik weet – en ik ken in deze vooral het Amsterdamse, overigens bij uitstek de stad waar alle drie groeperingen zichtbaar en volop aanwezig zijn – geen sprake. Het zij dan, dat naar ik meen er een enkele ontmoeting is van vrouwen uit de drie gemeenschappen (maar dat vrouwen ons voorgaan, daar waar het gaat om het winnen van vertrouwen en het overwinnen van bestaande tegenstellingen is al lang niet meer verwonderlijk). En ook daar waar de groepen in dialoog-verband met elkaar in gesprek treden, gaat dat gesprek niet over Bijbelse figuren, eigenlijk überhaupt niet over religieuze aangelegenheden – dat onderwerp is gevoelig, dus daar wordt, niet zelden op instigatie van aanwezige vertegenwoordigers van de overheid, zorgvuldig omheen gelopen – maar over concrete ethische vraagstukken, dat wil zeggen: hoe kunnen we zo goed en respectvol mogelijk samenleven in onze stad of ons stadsdeel. En met het woord respect wordt dan in religieus opzicht meestal bedoeld: jij doet jouw ding en wij doen ons ding. Mijn ervaring uit de periode dat ik voorzitter was van de Raad van Kerken in Amsterdam-Noord en wij een aantal keren vertegenwoordigers van de moskee-vereniging (in ons geval was dat de Marokkaanse Unie Noord) uitnodigden, was overigens, dat deze terughoudendheid niet van de jonge en enthousiaste bestuurders van de moskee uitging, maar met name van de kerken.

Kortom: Bijbelse figuren in het licht van de ontmoeting van Jodendom en Islam is een papieren constructie en voor zover het anders is heeft uw spreker van vanavond daar helaas geen ervaring mee. Een papieren constructie in de zin, dat het achter de schrijftafel of in de vergadering is bedacht en op papier gezet, maar ook in de zin, dat de ontmoeting er één is van verschillende geschriften en die leg je gemakkelijker naast elkaar op de tafel dan dat je de lezers ervan naast elkaar om de tafel krijgt. En als het nu nog ging over Abraham, dan lag het nog dichter bij, omdat alle genoemde groeperingen zichzelf als kinderen van Abraham beschouwen en verschillende theologen, onder andere mijn vriend Anton Wessels, hebben gepleit voor een Abrahamitische oecumene, ervan uitgaande dat doorexercerend wij in onze tradities meer vinden dat ons met elkaar verbindt, dan wat ons scheidt. Maar Jozef…?

Zeker, Jozef is bekend in alle drie tradities, maar ook daar doet zich weer onmiddellijk een probleem voor. Je zou kunnen spreken over Jozef in Jodendom, Christendom en Islam en daarmee bedoelen: de Jozef zoals we die tegenkomen in de Talmoed, in de christelijke bijbel-uitleg en in de Koran en bij haar uitleggers en vaststellen, dat er zo drie van elkaar onderscheiden Jozef-figuren zijn ontstaan, maar dat stuit me als historicus tegen de borst, want al is het een papieren ontmoeting, we moeten ook de papieren recht doen. Er is wel degelijk een Ware Jozef – in ieder geval op papier – en dat is de Jozef zoals die opgenomen is in de canon van de Hebreeuwse bijbel als het laatste gedeelte van het boek Genesis. Die Jozef – afgezien zelfs van de vraag of hij ooit echt als historische figuur heeft bestaan – is de ware Jozef en alle andere zijn interpretaties ervan. Dus wanneer we zoals Hans van der Werf en Hanna Kohlbrugge[1] dat deden in de jaren zeventig op zoek gaan naar de Ware Jozef, dan moeten we daar zijn. Daar zal ik dan ook het grootste deel van mijn tijd aan besteden. Jozef in de ontmoeting en in de confrontatie met zijn broeders aan u schilderen. Maar eerst een presentatie van Jozef in Jodendom, Christendom en Islam. En ik moet u op voorhand waarschuwen – en hoop me zelf daarmee in te dekken – ik ben geen islamoloog of arabist, ik ben ook geen judaicus of talmudist en zelfs geen oud-testamenticus, maar een bescheiden kerkhistoricus, die in zijn dagen als predikant een aantal keren het Jozef-verhaal voor de christelijke gemeente heeft proberen uit te leggen, daarover zijn bijvak-scriptie schreef en samen met Karel Deurloo, Marcus van Loopik, Rene Venema en Sytze de Vries in 1995 het boek De Gezegende te midden van zijn broeders[2]. Ik bedoel daarmee te zeggen, dat ik geen zelfstandig bronnen-onderzoek heb gedaan, maar alleen gebruik heb gemaakt van andermans werk, vertalingen en commentaren. Behalve het al genoemde boek van Hans van der Werf en Hanna Kohlbrugge over de Ware Jozef dat in 1973 verscheen is er ook nog een oudere studie van H.A. Brongers uit 1962: De Jozefsgeschiedenis bij Joden, Christenen en Mohammedanen[3]. Beide boeken zijn al behoorlijk op leeftijd, maar nieuwe boeken over dit onderwerp vond ik niet. Het laatst verschenen grote commentaar op de geschiedenis van Jozef is het in 2007 verschenen deel van Herders Theologischer Kommentar zum Alten Testament over Genesis 37-50[4]. Jürgen Ebach vult over deze veertien hoofdstukken maar liefst meer dan zevenhonderd pagina’s. Meer dan de eerdere Duitse commentaren heeft hij  aandacht voor de Joodse uitleg van het verhaal, en hij besteedt een heel deel aan de romancyclus van Thomas Mann, maar dat het Jozef-verhaal überhaupt voorkomt in de Koran zullen we uit dit werk niet ontdekken.

Op het gevaar af te kort door de bocht te gaan, een paar opmerkingen over de interpretatie van Jozef in de Joodse traditie. Met dank aan Marcus van Loopik, die hierover een bijdrage schreef aan ons Jozefboek[5]. In de midrasj, de rabbijnse uitleg van het Jozef-verhaal is Jozef een wijs mens en een tora-kenner. Hij is de rechtvaardige, die vanwege zijn rechtvaardigheid uiteindelijk gered en hoog verheven zal worden. Zijn rechtvaardigheid is wat uiteindelijk het hele volk zal redden. Volgens de midrasj geldt dat niet alleen voor het volk als het eten vindt in Egypte en zo gered wordt van de hongersnood, maar ook voor het volk, wanneer het wegvlucht uit Egypte en achtervolgd wordt door de Egyptenaren. De wateren zagen het en vreesden, zegt de Psalm, en de rabbijnen zeggen: de wateren zagen de kist met daarin het stoffelijk overschot van Jozef en zij vreesden om deze rechtvaardige die alle geboden had vervuld geweld aan te doen en traden daarom terug en verleenden de kist en het volk dat daarachter liep een droge doortocht. Een belangrijke rol in de Joodse uitleg speelt de paradox van de planning van JHWH en de handelende personen die elk uit vrije wil handelen en toch – vaak huns ondanks – meewerken aan dat plan. Daarbij wordt gedacht vanuit een ethisch principe, dat wel wordt aangeduid als middah keneged middah, maat naar maat. Verondersteld wordt, dat iedere daad, zowel de goede als de kwade, in deze wereld wordt beloond of bestraft met iets dat met die daad in overeenstemming is. Men zoekt in of achter de tekst naar de verklaring die in overeenstemming is met dit principe. Jozef spreekt kwaad over zijn broeders, daarom wordt hij als slaaf verkocht, maar in Egypte heeft hij zich niet tot zonde gebogen, daarom krijgt hij door de farao een gouden ketting om de hals gehangen.

Een stuk gecompliceerder is de presentatie van Jozef in de Islamitische traditie, want waar het Jodendom vanzelfsprekend van dezelfde tekst uitgaat als wij, wijkt de weergave in de Koran in hoge mate af van dit origineel. De Koran-uitleggers gaan er natuurlijk van uit, dat de tekst zoals die vermeld staat in de twaalde sura van de Koran het Jozef-verhaal is, zoals dat door Allah aan Mohammed is geopenbaard, maar dat er sprake was van voorkennis van Mohammed is onmiskenbaar. De manier waarop de veel kortere Korantekst (honderdtien verzen tegenover ongeveer vierhonderdvijftig)  is weergegeven, maakt de indruk dat Mohammed het Jozef-verhaal uit zijn hoofd citeert. Daarbij valt op dat deze weergave niet alleen is gebaseerd op de tora-tekst maar mede op uitleg die er toen al bij gegeven was. Zoals ik al zei, ik ben geen islam-kenner of Arabist en dus ben ik aangewezen op vertalingen van de Koran. Ik gebruikte er twee: de ruim zestig jaar oude Koran-vertaling van Professor Kramers[6] en de in 2008 verschenen Koran-vertaling van Kader Abdolah[7]. Als je die twee met elkaar wilt vergelijken, dan kun je dat het beste doen door ze te beschouwen als een soort Statenvertaling en een soort NBV. De vertaling van Kramers maakt de indruk heel erg dicht bij de Arabische tekst te zijn gebleven en kan daardoor vaak wat ouderwets en soms ook wat houterig Nederlands aandoen. Daarnaast is er de vertaling van Abdolah in prachtig Nederlands, maar je vraagt je wel steeds af, wat er nu eigenlijk precies in het origineel zou hebben gestaan. Om een voorbeeld te geven. Iedereen die wel eens in de Koran heeft gelezen, weet dat elke sura begint met een doxologie. Die luidt bij Kramers: In de naam van Allah, de barmhartige Erbarmer. Kader Abdolah vertaalt: In de naam van Allah. Hij is lief, hij geeft, hij vergeeft. Wat opvalt in het Jozef (Jusuf)-verhaal in de Koran is, dat er in het hele verhaal maar twee mensen bij naam worden genoemd, namelijk Jakub en Jusuf. (Dat geldt overigens niet voor de vertaling van Kader Abdolah, die ook de naam van Benjamin noemt. De man die wij kennen als Potifar heet bij hem Aziz en zijn vrouw die wij, met dank aan Frans Breukelman, alleen kennen als mevrouw Potifar heet Zoleega). De rol van Juda ontbreekt volledig, niet alleen is hoofdstuk 38 van Genesis (over Juda en Tamar) afwezig, maar ook in het verhaal over de broeders en de put gaat het alleen over “de broeders” en worden de initiatieven van Ruben en Juda niet vermeld. In Egypte ontbreekt het pleidooi van Juda en wordt alleen gesproken over een “oudste broer” die aanbiedt hem gevangen te houden in plaats van de jongste zoon. Sommige gedachten die we later aantreffen in de verschillende geschreven midrasjim over het Jozef-verhaal zijn verwerkt in de Koran-versie. Zo hebben de rabbijnen zich steeds weer afgevraagd, waarom Jakob Jozef in het bijzonder liefheeft, want de verklaring die Genesis 37, 3 geeft, dat hij een zoon van zijn ouderdom was, voldoet niet echt, immers Benjamin was volgens het verhaal nog jonger dan Jozef. De Koran-tekst kent klaarblijkelijk dit dilemma en lost het op door te stellen dat Jozef en zijn broeder meer geliefd waren bij vader Jakob. Wat het meest opvallende is in het Koran-verhaal is, dat de strekking ervan niet aan de tekst ontworsteld moet worden maar er expliciet in en overheen wordt gezet. Dat gebeurt enerzijds door een aantal uitleggende verzen aan het verhaal toe te voegen en anderzijds door de in het tora-verhaal verborgen geheime leiding van de Eeuwige te vervangen door de expliciete vermelding, dat Allah met elke stap in het verhaal een bedoeling heeft. Bovendien wordt deze bedoeling van Allah in het verhaal aan Jozef verteld, zodat hij een wijze wordt en een mede-weter met Allah. Het verhaal eindigt, wanneer we de laatste tien verklarende verzen even buiten beschouwing laten met een geloofsbelijdenis van Jozef. Die luidt – in de vertaling van Kramers, bij Abdolah ontbreekt dit vers – Mijn Heer, Gij hebt mij koningschap gegeven en Gij hebt mij de uitlegging der berichten onderwezen; Schepper van de hemelen en de aarde, Gij zijt mijn verbondene in het nabije leven en het latere. Vorder mijn doodsschuld in als overgegevene en verenig mij met de zaligen. Ik kan het niet controleren, maar het kan haast niet anders of voor de term “overgegevene” staat in het origineel het woord moslim. Jozef is de ware moslim en zijn wijsheid bestaat eruit dat hij inziet, dat alles wat er gebeurt in overeenstemming is met de wil van Allah en dat hij gaandeweg inzicht verwerft in die wil van Allah.

Denk niet te snel, dat dit allemaal heel ver van ons afstaat en dat maar weer eens blijkt hoe een achterlijke en simplistische religie de islam is. De manier waarop het Jozefverhaal in de Koran verteld wordt, het genre zou je kunnen zeggen, is dat van een “Führungsgeschichte”, een verhaal over hoe God de geschiedenis leidt. En laat dat nu precies de term zijn, die we bij oudere (christelijke) exegeten aan kunnen treffen, wanneer ze een term zoeken voor het soort verhaal dat de Jozefsgeschiedenis is. En is de interpretatie van Jozef als een wijze niet precies de kern van één van de beroemdste artikelen uit de geschiedenis van de Oudtestamentische wetenschap, namelijk het in 1953 geschreven artikel van Gerhard von Rad: “Josephsgeschichte und ältere Chokma”[8].

Over de christelijke uitleg zal ik kort zijn, juist omdat er dagen over gepraat zou kunnen worden, want die geschiedenis loopt tot op de dag van vandaag en ik maak er zelf deel van uit. Het meest opvallende is in vooral de vroege christelijke uitlegging van het Jozefverhaal, dat het op een typologische of op een allegorische manier in Jozef een voorafspiegeling van de Here Jezus ziet. Ik zal daar de staf niet over breken. Dat wij in Jozef of David of Hizkia (ik noem er drie, niet willekeurig) een voorafspiegeling van Jezus zien, dat mag! Wat niet mag is dat wij het verhaal versmallen tot alléén maar een voorafspiegeling van Jezus. Wie in Jesaja 7 in de kerstnacht leest over “de jonkvrouw die zwanger zal worden”, mag best even aan de Here Jezus denken, maar vervolgens moet hij natuurlijk vaststellen, dat de messiaanse koning die als zoon aan Achaz geboren zal worden natuurlijk Hizkia is. Zo moet ook Jozef wel Jozef blijven en zijn eigen rol als bevrijder van het volk Israël blijven spelen.

En nu: op zoek naar de Ware Jozef. Zoals ik al eerder door liet schemeren, dat is niet de historische Jozef, of Jozef zoals hij echt geweest is. Van die Jozef weten we niets en ik houd het voor niet onwaarschijnlijk dat hij nooit bestaan heeft. Zo ingrijpende gebeurtenissen in Egypte als beschreven staan in dit verhaal hadden hun geschreven neerslag moeten vinden in de Egyptische annalen, maar daar is ze niet te vinden. De ware Jozef is voor ons dus de Jozef, zoals die door de schrijver van het Jozefverhaal bedoeld is.

Wie de schrijver is of wie de schrijvers zijn van het Jozefverhaal en wanneer het precies geschreven is, is onmogelijk na te gaan, maar zoals Onze Lieve Heer het zelf zegt tegen George Clooney in de Nespresso-reclame: Make an educated guess! Laten we een weloverwogen en goed doordachte gissing doen.

Ik vermoed, dat de schrijvers of redacteuren van het Jozefverhaal heel dicht hebben gestaan bij, misschien wel dezelfde personen waren als de redacteuren die uiteindelijk het boek Genesis of zelfs de tora hebben vastgesteld. Dat moet in of – wat waarschijnlijker is – na de ballingschap zijn geweest. Wellicht in de eerste na-exilische periode die door Ton Veerkamp werd aangeduid als “Die Thora-Republik”[9]. Wanneer ze vanuit die Tora willen leven, zullen ze ook een concrete vastgelegde Tora nodig hebben. Ter completering van de doorgaande verhaalslijn is er een geschiedenis nodig die het verhaal over de aartsvaderen Abraham, Izaäk en Jakob verbindt met het verhaal van Mozes. Het Jozef-verhaal (ongeacht of daarvan al een oudere versie bestond) is die schakel: Het brengt het volk in Egypte en zet het klaar voor de uittocht. Dat ik suggereer dat de samenstellers van dit verhaal mogelijk dezelfden zijn als degenen die voor de eindredactie van het Genesis-verhaal hebben gezorgd, heeft daarmee te maken, dat de grote thema’s die spelen in de voorafgaande verhalen, het gevecht om de zegen van de vader, de vraag naar het eerstgeboorterecht, de strijd tussen de broeders, in het Jozef-verhaal ook allemaal aan de orde komen. Verschillende onderdelen van het Jozef-verhaal hebben een hoog aetiologie-karakter. Zo zouden we ons heel goed voor kunnen stellen, dat het verhaal over Juda die uiteindelijk zijn leven veil heeft voor dat van zijn kleine broer Benjamin, meespeelt in de verklaring van de hechte verbondenheid van de stammen Juda en Benjamin binnen het tweestammenrijk. Maar het belangrijkste kunststukje zit in het feit, dat er twaalf zonen van Israël zijn en dus ook twaalf stammen van Israël. We gaan er even van uit, dat de namen van de stammen, die deel uitmaakten van het twaalfstammenverbond min of meer vaststonden. Daarin ontbreken twee namen, die later wel genoemd worden als de zonen van Jakob, namelijk Levi en Jozef. Of de Levieten oorspronkelijk, voordat hen een speciale priesterlijke taak werd toegedacht, een eigen stamgebied hebben gehad, is moeilijk vast te stellen, maar Jozef ontbrak met zekerheid. Door hem de vader te maken van Efraïm en Manasse, krijgt hij zijn plek in de geschiedenis en krijgt hij bovendien als de uitverkoren en gezegende zoon te midden van zijn broeders met terugwerkende kracht een dubbel deel. Er is weinig verbeelding voor nodig om te veronderstellen, dat de inwoners van het twaalfstammenrijk en waarschijnlijk ook de inwoners van de koninkrijken van Israël en Juda van Jozef geen weet hadden. De Joodse traditie wil, dat het graf van Jozef (zijn beenderen zijn immers volgens het verhaal mee terug genomen uit Egypte) zich te Sichem bevindt. In het voorlaatste vers van het boek Jozua (28:32) wordt verteld over zijn begrafenis op dezelfde plek waar ook Jozua en Eleazar, de zoon van Aäron worden begraven. Zo schrijft of herschrijft Israël zijn geschiedenis door  – daar het graf van Mozes nu eenmaal niet gevonden wordt, omdat de Eeuwige zelf hem heeft begraven – zijn drie stichters bij elkaar te plaatsen. Tegelijk bedenk ik dat dit een herinnering is aan het verbond van de stammen bij Sichem en van geen koning weet, dus ook heel goed geschreven kan zijn in een tijd, dat men niet meer van een koning weet – na de ballingschap dus – en zijn eigen “niet-koningsgebonden” monumenten zoekt.

Een slipje van de sluier wordt misschien wel opgelicht door de naam Jozef. Die komt van het werkwoord ‘iasaf’, dat “toevoegen” betekent. In Genesis 30:24 geeft Rachel zelf de uitleg van de naam: Moge de Eeuwige er nog een andere zoon aan toevoegen. Maar als – en u begrijpt, ik neig tot die uitleg – Jozef een papieren figuur is, die alleen in het verhaal bestaat, dat geconstrueerd is om Genesis en Exodus op elkaar aan te laten sluiten dan is Jozef zelf de toevoeging aan het verhaal van Abraham, Izaak en Jakob.

Als mijn veronderstelling (de weldoordachte gissing) klopt, dat het verhaal van Jozef is gecomponeerd kort na de ballingschap, dan zou daarin nog een thema mogelijk meespelen. Mijn vroegere collega Jan Mazurel, die voor mij predikant was in de Weerenkapel in Amsterdam-Noord, promoveerde in 1992 op het proefschrift: De vraag naar de verloren broeder[10]. Het gaat in zijn proefschrift om terugkeer en herstel in de boeken Jeremia en Ezechiël. De verloren broeder is Jozef. Jozef staat hier voor het tienstammenrijk, dat niet terug is gekeerd uit de ballingschap in Assyrië. Zo zou je het hele Jozef-verhaal ook kunnen lezen: als een verhaal over de verloren broeder en de vraag of de achtergebleven broeders zich daarover al dan niet bekommeren. Jan Mazurel gaat zelfs zover, dat hij als vierde stelling bij zijn proefschrift formuleert: De voorstelling dat het volk Israël heeft bestaan uit twaalf stammen is een constructie uit de tijd van of na de ballingschap. Ik ben er niet zeker van dat hij daarin gelijk heeft, maar je kunt het niet uitsluiten. Als hij gelijk heeft dan moet ook het slot van Jozua, dat bericht over de begrafenis van Jozef en het verbond dat de stammen met elkaar sluiten, uit die periode stammen.

Maar als Jozef verloren is geraakt in de ballingschap, dan zou je hem toch niet in Egypte, maar in Babylonië moeten zoeken. Dat klopt. We moeten dan ook niet uitsluiten dat het hele verhaal een grote projectie is, waarbij de ballingschap wordt teruggeprojecteerd naar een verzonnen vroegere Egyptische periode, zodat het als leerverhaal kan functioneren. In de stijl van: weet je wel, toen in Egypte, toen is het uiteindelijk ook allemaal goed gekomen en bleek alles tenslotte wel degelijk zin te hebben gehad. Dus zal het nu ook wel weer goed komen. Er circuleert hier te lande een boekwerkje met de titel “Hollandse jongens in de Franse tijd” dat suggereert dat de Nederlanders een dappere nationale bevrijdingsstrijd hebben gevoerd tegen de Franse bezetters. Maar zo was het helmaal niet. De patriciërs hebben de Fransen verwelkomd en hun burgerlijk wetboek overgenomen. Maar als je nu bedenkt, dat ze het stiekem wilde hebben over “Hollandse jongens in de Duitse tijd”, dan krijgt het opeens allemaal zin en betekenis. Er zijn een aantal details die een dergelijke verwisseling aannemelijk maken. Het meest curieuze daarvan is het gegeven, dat ik ooit uitzocht voor mijn bijvak-scriptie dat de titel kreeg: de beker der waarzegging. De rabbijnen, die zich altijd buitengewoon veel zorgen maken over de goede reputatie van de aartsvaders, hadden hier al een geweldig probleem mee. Als Jozef na de tweede reis van de broeders naar Egypte zijn beker in de tas van Benjamin heeft gestopt, dan stuurt hij de overste van zijn huis achter de broeders aan en die heeft het over “de beker waaruit mijn heer drinkt en waaruit hij waarzeggingen doet” (Gen. 44:5). Maar ieder weet natuurlijk, dat het de Israëlieten (bij voorbeeld in Deut. 18:10) ten strengste verboden is, om zich met waarzeggingen bezig te houden. Iemand die dat doet zal zeker ter dood worden gebracht. Ook dit probleem wordt overigens in de Korantekst opgelost door dat ingewikkelde gegeven van een beker, waarmee waarzeggingen worden gedaan simpelweg weg te laten. Maar er is nog een probleem en dat is, dat een dergelijke vorm van waarzegging met een beker niet bekend is in Egypte, maar wel – u raadt het al – in Babylonië. Als u zich afvraagt hoe dat in zijn werk ging. Het is waarschijnlijk een variant geweest op wat wij nog kennen – maar ook niet lang meer met senseo en nespresso – als koffiedik-kijken. Er wordt een vloeistof (waarschijnlijk olie) in een beker gegoten en men “leest” in de vormen die achterblijven na het leeggieten.

Dat wat betreft de kwestie van ontstaan en Sitz im Leben van het Jozef-verhaal. Naar alle waarschijnlijkheid, kort na de ballingschap ter completering van de tora en als een antwoord op de vraag: Waar is Jozef, waar is het Noordrijk gebleven? Waar in heel het verhaal over de koningen van Israël de deling eigenlijk nooit geproblematiseerd wordt, daar is dat na de ballingschap een wezenlijk thema geworden: het gaat om heel Israël, Noord- en Zuidrijk. En daarmee is ook het thema van het Jozef-verhaal gegeven, feilloos begrepen door een Nederlandse toneelschrijver uit de zeventiende eeuw en een twintigste-eeuwse schrijver van Bildungsromans: Jozef en zijn broeders! Joseph und Seine Brüder. Of zoals wij het in ons Jozef-boek aanduidden: De gezegende te midden van zijn broeders. Het gaat niet alleen om de messiaanse gestalte van Jozef, die zijn volk redde in benauwde situaties, zoals dat bijvoorbeeld ook verteld wordt over Esther of Daniël, maar het gaat bij deze Jozef in de eerste plaats om zijn verhouding met zijn broeders. Samen, Jozef en zijn broers, vormen zij het thema van de laatste verhalencyclus uit het Genesis-boek, samen vormen zij de verwekkingen van Jakob. Dat is ook de reden dat de algemeen als zwerfkeien beschouwde hoofdstukken 38 (over Juda en Tamar) en 49 (over de zegening van de twaalf zonen van Jakob), door ons worden gezien als onderdeel van het verhaal. In beide verhalen speelt Juda een belangrijke rol. In hoofdstuk 38 lijkt hij zich te diskwalificeren. Hij geeft zijn zegelring, zijn snoer en zijn staf – zijn koninklijke attributen – uit handen en toont pas enig koninklijk gedrag op het moment dat hij erkent: Tamar is een rechtvaardige, niet ik! In hoofdstuk 49 valt niet over het hoofd te zien, dat aan alle broeders één of twee verzen worden besteed, maar twee springen eruit, wijken af, Juda en Jozef, aan de zegen voor elk van hen worden vijf verzen gewijd. De verhouding tussen Jozef en zijn broeders spitst zich toe op dit tweetal: Juda en Jozef. Twee thema’s zijn kenmerkend voor de aartsvaderverhalen in het boek Genesis, dat van de strijd om het eerstelingschap (becorah) en om de zegen (beracha). Het ging om Ismaël of Isaak en het ging om Esau en Jakob. En beide keren was het de jongste die het eerstelingschap en de zegen van de aartsvader verwierf. Maar nu gaat het niet om twee broers, maar om twaalf broers, en het gaat om de zonen van de geliefde vrouw tegenover de zonen van de niet geliefde vrouw, het gaat uiteindelijk om deze twee: Juda en Jozef. En dan heeft het laatste verhaal in de reeks een verrassing in petto: Het wordt een gelijkspel! Juda is de eerstgeborene, maar Jozef is de gezegende te midden van zijn broeders. Voor de ballingschap weerspiegelt zich dat in Noord- en Zuidrijk, al zal het noorden zich als er één naam van een Jakobszoon genoemd moet worden steeds als Efraïm aanduiden en hebben zij wellicht nog helemaal geen weet van Jozef, maar na de ballingschap, als zij een nieuwe start moeten maken en als Joden (oorspronkelijk Judit, of in het grieks Ioudaioi, aanduiding voor de inwoners van Juda) aanspraak willen maken op het hele gebied, dat voorheen deel uitmaakte van twee- en tienstammenrijk, dan is er een nationale ideologie nodig, dan moet duidelijk worden dat ze allemaal bij elkaar horen en dat ze zich wel degelijk bekommeren over Jozef, die achter is gebleven in de ballingschap.

Jürgen Ebach schrijft in zijn commentaar, dat Jozef misschien geen geschiedenis in de zin van een verhaal over plaatsgevonden gebeurtenissen is, maar dat in het verhaal de geschiedenis zelf tot onderwerp wordt gemaakt. Het gebruikt de thema’s uit de eerdere delen van het boek Genesis en vergroot ze als het ware nog uit. Het gaat over heerschappij, over eerstgeboorterecht, over de zegen van de vader, om de strijd tussen de broeders. Al deze thema’s worden samengevoegd en met elkaar verbonden in een min of meer samenhangend verhaal. Dat gebeurt door symbolische draden te trekken, die het hele verhaal bij elkaar houden. De belangrijkste van deze rode draden is die van de droom. Het hele Jozefsverhaal begint met de dromen van Jozef, waarin eerst zijn  broeders en vervolgens zijn broeders samen met zijn vader en moeder voor hem buigen. De eerste droom, dat van de korenschoven die zich neerbuigen, speelt zich af op het land, op de aarde. De tweede droom speelt zich af aan de hemel. Nu zijn het ook de zon – door vader Jakob onmiddellijk begrepen als verwijzend naar hem – en de maan – dat zou dan op zijn overleden moeder Rachel moeten slaan – buigen zich met elf sterren neer voor hem. Het zijn de broeders en de vader in hun reacties die de thema’s noemen, waarom het in het hele Jozefsverhaal zal gaan. Wil jij soms koning zijn en heersen over ons. Zullen wij je vader en moeder ons neerbuigen voor jou? Dat gaat over de verhouding tussen de stammen en de vraag wie de dominante zal zijn. Dat gaat over de verhouding tussen bijvoorbeeld Jozef en Juda, noord- en zuidrijk en het lijkt erop dat de dromen “uitkomen” aan het slot van het verhaal als alle broeders zich neerbuigen voor Jozef uit angst dat hij wraak zal nemen voor wat zij hem hebben aangedaan. Ze nemen in hun woorden als het ware hun overleden vader mee in hun neerbuigen: Voordat hij stierf heeft uw vader ons opgedragen…. Maar het verhaal over de geschiedenis is niet (of in ieder geval niet alléén) het verhaal over hoe God alles heeft voorbeschikt en hoe hier uiteindelijk uitkomt wat God in een droom aan Jozef heeft laten weten. Dat gebeurt in het buigen van de broeders natuurlijk wel, maar tegelijkertijd vindt er een correctie plaats: Ben ik in Gods plaats?, vraagt Jozef. En hij heerst niet over ze, maar hij troost zijn broeders en herstelt zo definitief de broederschap. Dit gebroederlijk samenleven zonder te moeten buigen onder het juk van een ander dan God alleen (en werkelijk ook zijn tora als juk is zacht) zou toch heel goed de les uit de geschiedenis – en uit dit verhaal over de geschiedenis – kunnen zijn, wanneer het erop aan komt na de ballingschap zonder koning in Jeruzalem of Samaria als tora-republiek te leven?

De dromen gaan door en blijven telkens in tweetallen verschijnen, maar de volgende dromen worden niet door Jozef gedroomd maar door Jozef uitgelegd. Het zijn eerst de dromen van de schenker en de bakker en vervolgens de twee dromen van de farao, die over de koeien en die over de korenaren. Het is met alle dromen – ook die eerste twee van Jozef – in het verhaal zo, dat de uitleg eigenlijk glashelder is. De uitleg is van God zegt Jozef, maar het is meer een kwestie van de zaak helder onder ogen te durven zien en ronduit te durven spreken ook ten overstaan van de machthebbers. De verhalen doen denken aan Daniël die optreedt als de uitlegger van de dromen van Nebukadnezar. Ook daar hebben we – met nog veel grotere zekerheid – te maken met zeer late verhalen. Maar Daniël staat bij de Geschriften net als de andere wijsheidsliteratuur en Jozef is onderdeel van de tora. Mij lijkt dat de enige reden, dat dit wijsheidsverhaal in Genesis terecht is gekomen is, dat het door de redacteuren van Genesis zo bewerkt is, dat het past op deze plaats als trait d’union tussen Genesis en Exodus.

Jozef is een wijze, dat wordt waarschijnlijk ook bedoeld met dat merkwaardige verhaal waarin de confrontatie tussen de broeders tot een climax wordt gevoerd, namelijk het verhaal over de beker in de tas van Benjamin. Ook daar dezelfde dubbelzinnigheid als bij de dromen, die eigenlijk evident zijn, maar toch alleen door Jozef begrepen kunnen worden. In dit verhaal wordt over Jozef verteld, dat hij een beker heeft waarmee hij waar kan zeggen. Dat wil zeggen, dat hij paranormale kennis van de geschiedenis heeft. Maar wie het verhaal heeft gelezen, weet dat Jozef helemaal geen paranormale kennis nodig heeft om te weten hoe het zit, omdat hij de hele zaak immers zelf heeft geënsceneerd en zelf opdracht heeft gegeven om de beker in de tas van Benjamin te leggen. Maar Jozef is een wijze, hij is geen waarzegger, maar iemand die de anderen onderwijst. Hij brengt de waarheid aan het licht! Nee, niet de waarheid over wat er met die beker is gebeurd, dat wist hij al lang, maar hij brengt de waarheid over de broeders aan het licht en wel op zo’n manier dat ze die niet alleen begrijpen, maar er ook een les uit trekken: zoals zij ooit hun broeder Jozef in de steek hebben gelaten, zo mogen ze nu niet ook hun broeder Benjamin in de steek laten.

Jozef is niet alleen een wijze, hij is ook een rechtvaardige, een tsaddiq, mij lijkt dat met name het verhaal over Jozef en de vrouw van Potifar dient om dat te onderstrepen. Gek genoeg komt dat woord tsaddiq niet voor in het verhaal van Genesis 39 zelf. Maar dat woord komt wel voor aan het slot van het verhaal over Juda en Tamar, daar is het Juda, die uiteindelijk tot het inzicht komt: Zij is de rechtvaardige en niet ik. In deze confrontatie van Juda met een – veronderstelde – vreemde vrouw, is hij geen tsaddiq en direct daarna wordt het verhaal van Jozef en zijn confrontatie met de vrouw van Potifar verteld en de conclusie is duidelijk: Jozef is in zijn ontmoeting met deze vrouw wel een tsaddiq.

Ik moest nog terugkomen op wat misschien wel het hoofdthema van het Jozefsverhaal is, dat van de geschiedenis en hoe die te duiden. Sleutelzin daarbij is ongetwijfeld Gen. 50,20:

Jullie hebben kwaad tegen mij berekend;

God heeft het omgerekend ten goede,

om te doen zoals heden het geval is,

een groot volk in het leven behouden.

Is het daarmee inderdaad een “Führungsgeschichte”. Ik denk het niet. Rabbi Akiva schrijft in de Mischna Avot: Alles is van te voren gezien (door God), maar de vrije wil is gegeven.

Gods leiding in de geschiedenis gaat anders dan bij Luther en Calvijn niet ten koste van de vrije wil van de mensen. Dat God het heeft omgerekend, betekent nog niet dat de broeders niet verantwoordelijk zijn voor wat ze gedaan hebben. Gerhard von Rad had met zijn beroemde artikel uit 1953 over Josephsgeschichte und ältere Chokma in heel veel opzichten gelijk. De Jozefsgeschiedenis is wijsheidsliteratuur, maar het hoeft niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de oudere wijsheidsliteratuur, het zou heel goed nog veel jonger kunnen zijn, het zou dan de kennis van de oudere Genesis-verhalen combineren met de grondgedachten van de oudere wijsheid, zoals die naar voren komt in bijvoorbeeld de hoofdstukken 19 tot 21 van het boek Spreuken. Grondgedachtes die we kunnen samenvatten met het spreekwoordelijke: de mens wikt, maar God beschikt. Het is voor het volk Israël een poging om zijn eigen geschiedenis te begrijpen. Een geschiedenis van vallen en opstaan die uitkomt in de ballingschap, maar daar toch niet eindigt. Ik doe een gewaagde stelling: Wat het Jozef-verhaal probeert in één literaire vertelling duidelijk te maken is hetzelfde als wat heel het grote deuteronomistische geschiedswerk in een veel uitvoeriger en veelzijdiger verhaal probeert te vertellen: een verhaal over de providentia dei en diffusio hominis. Over hoe het volk in de ballingschap (Babylonië of Egypte) terecht komt en het daar uiteindelijk toch ook weer weg weet te komen. Was het niet ook Von Rad, die in hetzelfde eerder genoemde artikel al wees op de overeenkomsten tussen de wederwaardigheden, en in dit geval de ondeugendheden van de verschillende zonen van Jakob en die van de zonen van David en hun strijd om de troon van de vader. De oudste zonen – Ruben en Absalom – die beide uitvallen omdat ze geslapen hebben met de bijvrouwen van hun vader! De incestverhalen van Adonia en Juda. De geschiedenis in een notendop en misschien – dat hangt mede af van hoe jong we het Jozefverhaal schatten – ook een messiaans verhaal. Niet een messiaans verhaal in de zin van “vooruitwijzend naar Jezus Christus”, maar een messiaans verhaal in die zin, dat er een besef in aanwezig is, dat het voortbestaan van het volk – misschien wel van heel de mensheid – minstens mede-afhankelijk is van de vraag of die ene
in hun midden is, de gezegende, degene die een heel volk in leven houdt, degene die wijs en rechtvaardig is en daarom kan heersen tot heil van het volk, maar die zelfs die rol kan vervullen, als hij niet heerst maar dient en zichzelf in dienst stelt van Gods bedoelingen, die hij kent, niet omdat hij een droomuitlegger of waarzegger is, maar omdat hij wijs en rechtvaardig is.


[1]  D.J. Kohlbrugge / J. van der Werf, De ware Jozef, Nijkerk 1973

[2]  Karel Deurloo / Wilken Veen ed. , De gezegende temidden van zijn broeders, Jozef en Juda in Genesis 37-50, Baarn 1995

[3]  H.A. Brongers, De Jozefsgeschiedenis bij Joden, Christenen en Mohammedanen, Wageningen 1962

[4]  J. Ebach, Genesis 37-50 (HthKAT), Freiburg / Basel / Wien 2007

[5]  Marcus van Loopik, “Een leerling der wijzen. Jozef in de rabbijnse midrasj” in Deurloo / Veen ed., De gezegende temidden van zijn broeders, Baarn 1995.

[6] De Koran uit het Arabisch vertaald door J.H.Kramers, Amsterdam/Brussel 1956, 19693

[7] Kader Abdolah, De Koran, een vertaling, Breda 2008

[8] Gerhard von Rad, “Josephsgeschichte und ältere Chokma“ in Gerhard von Rad, Gesammelte Studien zum Alten Testament I, München 1971.

[9] Ton Veerkamp, Autonomie und Egalität. Ökomomie, Politik und Ideologie in der Schrift, Berlin 1993

[10]  J.W. Mazurel, De vraag naar de verloren broeder. Terugkeer en herstel in de boeken Jeremia en Ezechiël, Amsterdam 1992.

Dit bericht is geplaatst in Lezingen. Bookmark de permalink.