Preek in de Nieuwendammerkerk op 14/2/2010

Preek in de Nieuwendammerkerk op zondag 14 februari 2010

Gelezen werd Exodus 2, 11-25 en Lucas 6, 17-26

Lieve gemeente,

 

Eigenlijk was ik er nooit zo voor om over een thema te preken. Ik vind dat een predikant gewoon de teksten uit moet leggen, die door het leesrooster worden aangegeven. Dat ga ik ook doen, maar uitgedaagd door de aanduiding “thema” op de ontwerpliturgie stelde ik mij de vraag: waar gaat het eigenlijk over. En ik heb het dan vooral over de lezing uit het boek Exodus als de start voor een langere serie verhalen over Mozes in de veertigdagentijd. Het gaat over geweld en tegengeweld, over onderdrukking en bevrijding, over heren en slaven, kortom over de wereld van de macht, zoals die er altijd is geweest, maar – naar we hopen en bidden – niet altijd zijn zal. Extra spannend wordt dat thema over geweld en tegengeweld door de aangegeven evangelielezing van deze zondag, die van de zaligsprekingen, waarin nadrukkelijk wordt opgeroepen om geweld niet met tegengeweld te beantwoorden maar het lijden te verdragen; waar degenen die lijden en huilen en vervolgd worden door Jezus worden zalig gesproken, of zoals wij vertaalden gelukkig geprezen, zodat die connotatie van zalig- of heiligheid, die helemaal niet aan de orde was in de tijd dat de tekst werd geschreven, verdwijnt. Hoe gaan we om met die tegenstelling. U kent me goed genoeg om te weten, dat de platte opvatting, dat de God van het Oude Testament er een van wraak en die van het Nieuwe Testament van liefde is, niet de mijne zal zijn. Maar hoe begrijpen we de beide teksten dan wel. Laten we het maar proberen. We beginnen bij Mozes. In het voorafgaande verhaal is hij door de dochter van de farao gered uit de Nijl en als gevolg daarvan is hij opgegroeid aan het hof van Egypte ver weg van zijn eigen volk dat een zwaar leven heeft in Egypte. Daar starten we! Wat zal er van Mozes terecht komen. Vergeet hij zijn achtergrond, laat hij het slavenbestaan definitief achter zich? Het gebeurde in die dagen. Mozes was groot geworden. Hij is een volwassen man, betekent dat, maar roept ook de vraag op, hoe groot is hij geworden. Te groot voor kleine mensen of juist zo groot, dat hij er kan zijn voor anderen. Hij trekt uit naar zijn broeders. Hoe hij daar weet van heeft, of de dochter van Farao hem heeft verteld, dat hij uit de Nijl is gevist en eigenlijk een hebreeuwse jongen is, of hij contact heeft gehouden met de moeder die hem als kind gevoed heeft? We weten het niet. Mozes ziet de werkelijkheid, de lasten van zijn volk, die zich daar opeens als incident voor zijn ogen afspelen. Hij ziet een Egyptische man, die een Hebreeuwse man slaat. Dat is de werkelijkheid: de groten slaan de kleinen neer! Hoe groot is Mozes, hoort hij bij de groten die de kleinen neerslaan, of is hij groot genoeg om het voor de kleinen op te nemen. Hij kijkt links en rechts, er is niemand. Over dit zinnetje is met name door de Joodse uitleggers van de tora veel gediscussieerd. In eerste instantie denken we: hij kijkt om zich heen om te zien of er niemand is die hem kan betrappen, wanneer hij doet wat hij doen wil. Dat kan, maar het plaatst Mozes wel in een kwaad daglicht. De rabbijnen zeggen: hij kijkt links, hij kijk rechts en stelt vast: er is niemand, niemand om het slachtoffer te helpen. Als er dan niemand is om te helpen, dan moet hij het zelf doen. Hij slaat de Egyptenaar neer en verbergt hem in het zand, onttrekt de Egyptenaar en daarmee ook, wat hij gedaan heeft aan het oog. Dat is de ene kant van de werkelijkheid. De werkelijkheid die we kennen uit de wereld om ons heen. Er zijn heren en knechten, groten en kleinen, de groten slaan de kleinen neer en soms – goddank – is er iemand die het voor ze opneemt en recht doet. Maar dan de andere kant van de medaille. De volgende dag trekt Mozes er weer op uit en zie, daar waren twee Hebreeuwse mannen aan het vechten. Het is afschuwelijk, maar het hoort ook bij onze dagelijkse werkelijkheid. Die getreten werden treten wider, dichtte Bertolt Brecht. Wie geschopt worden, schoppen zelf ook weer. De hulpverlening weet, dat wie als kind mishandelt of misbruikt wordt, niet zelden later ook zelf kinderen mishandelt of misbruikt. De onderdrukking werkt door in het onderbewuste van de onderdrukte. Hoe zal een kindsoldaat die gewend is geweest om te doden of gedood te worden ooit nog een normaal functionerend mens worden? Ook nu grijpt Mozes in, onrecht is onrecht ook als het in eigen kring gebeurt. Met de mantel der liefde toedekken kan stinkende wonden opleveren, zo blijkt de laatste jaren, nu er binnen de kerken steeds meer gevallen van seksueel misbruik worden ontdenkt. Hij zegt tegen de boosdoener… dat is gek, hij denkt dus niet: waar twee vechten, hebben twee schuld, hij spreekt ze niet beiden aan op hun gedrag, maar hij zegt tegen de boosdoener. Hoe wist hij trouwens, wie de boosdoener was? Mijn goede vriend Wout van der Spek antwoordde jaren geleden toen hem diezelfde vraag werd gesteld: de boosdoener, dat zag hij, dat was degene die bovenlag en de ander de adem dreigde af te snijden. Ik denk dat hij gelijk had. Mozes kiest opnieuw voor het slachtoffer.  Maar deze boosdoener geeft een brutaal antwoord: wie heeft jou aangesteld als scheidsrechter? Wou je mij ook doodslaan net als die Egyptenaar. De vraag is terecht en kan op dit moment nog niet beantwoord worden: wie heeft hem Mozes aangesteld? Inderdaad hij handelt hier op eigen initiatief, zonder volmacht of opdracht. En, zo stelt hij nu vast, het vorige incident is niet verborgen gebleven. Er was niemand, dus moet het het slachtoffer van gisteren zijn geweest, die hem heeft verraden. Het verhaal is bekend en heeft consequenties. De farao zoekt Mozes om te brengen. Voor hem heeft Mozes de verkeerde partij gekozen, hij heeft tegen Egypte en voor de Hebreeuwse slaaf gekozen. Daarom slaat Mozes op de vlucht en komt terecht in Midian, ten zuiden van Egypte en gaat daar zitten bij de bron. Heeft Mozes zijn lesje geleerd? En welke les heeft hij dan geleerd? Dat je je nooit in moet laten met politiek, omdat je altijd het lit op de neus krijgt? Dat de sterksten toch altijd aan het langste eind trekken. De volgende scene geeft uitsluitsel. De priester van Midian had zeven dochters, het begint als een sprookje. Daar komen ze aan met hun kuddes, de een nog mooier dan de ander, ze komen om water te putten uit de bron, maar juist als ze daar aan zullen komen, komen er herders en die verdrijven de meisjes. Wat doet Mozes? Drukt hij zijn snor, heeft hij zijn lesje geleerd? Nee, hij staat op en bevrijdt ze. Mozes is gevlucht, hij is nu nergens meer thuis, niet bij de Egyptenaren als de zoon van farao’s dochter en ook niet meer bij zijn eigen broeders, de hebreeuwse slaven, maar hij is niet veranderd, waar hij onrecht ziet, daar komt hij in beweging. Voor de derde keer grijpt Mozes in omwille van de onderdrukten en verslaat de boosdoeners. En daar in den vreemde wordt het verhaal over zijn bevrijdend optreden doorverteld en dat bezorgt hem een nieuw tehuis. Hij krijgt er vrouw en kind, maar hij blijft er een vreemdeling, een gastvreemdeling en daarmee juist opnieuw deel van zijn volk, dat als vreemdelingen in Egypte moeten verblijven. Ooit waren ze gasten, in Egypte op uitnodiging van Jozef, die ze daar heen had gehaald om ze van de hongersnood te redden, maar nu zijn ze als vreemdelingen ongewenste gasten. De geschiedenis herhaalt zich tot op de dag van vandaag, ooit in de jaren zestig werden de gastarbeiders gehaald uit de landen rond de middellandse zee. Maar toen het er steeds meer werden sloegen de gevoelens om, de grenzen werden gesloten en men begon van alle te bedenken om de hier verblijvenden kwijt te raken. Inderdaad, het zijn Egyptische toestanden vandaag de dag. En natuurlijk: niemand zal het ontkennen, het zijn zeker niet altijd lieverdjes! Die twee hebreeuwse mannen vochten ook! Wie van generatie op generatie in de positie van de underdog zit zal weinig vriendelijkheid leren. Wie hoort hun noodgeroep? Is er een Mozes om voor ze op te komen. Zouden de mensen van de kerk, van de diaconie, niet een helper moeten zijn voor wie geen hulp heeft. God hoorde hun gekerm. Hij gedacht zijn verbond met Abraham, met Isaak en met Jakob. God zag de kinderen van Israël en God kende ze. U denkt misschien, maar die Marokkanen zijn de kinderen van Israël niet, maar pas op, dat zijn wij ook niet en als wij medegenoten van die kinderen van Israël, kinderen van dezelfde Vader willen zijn, dan kunnen we ons niet gedragen als Egyptenaren. Misschien – en eigenlijk is het voor mij helemaal al niet meer een misschien – hoort de God van Israël altijd het hulpgeroep van de mensen die in de knel zitten, ook van de Marokkaanse jongeren, die zich al zijn ze derde generatie nog steeds vreemdeling voelen en ook door ons zo – als allochtoon – worden aangeduid al zijn ze helemaal niet zoals het woord zegt ergens anders, maar hier in Nederland geboren. Misschien hoort de God van Israël ook het gekerm dat opklimt uit de gebieden van Gaza en het Overjordaanse. God kent ze omdat hij hun nood kent en God stuurt bevrijders om hen te redden uit hun nood. Er wordt een Mozes opgevist uit de Nijl er wordt een rechtvaardige gevonden die zijn mond open doet voor de Joden in Auschwitz, er zal ook een bevrijder zijn voor het verdrukte mensenvolk van nu. En als er niemand is, dan zal God zelf hen zien en hen bevrijden.

Tenslotte de vraag waarmee we begonnen. Geldt dit allemaal nog? Of was dit wijsheid van het Oude Testament en leert Jezus ons iets heel anders? In de eerste plaats mogen we nooit vergeten dat Jezus zelf heeft gezegd dat van de tora van Mozes geen tittel of jota, dat wil zeggen geen punt en geen streepje, terug wordt genomen. Jezus doet met de tora, wat alle profeten voor hem hebben gedaan en wat ook ons steeds weer te doen staat. Hij legt die uit voor de mensen van toen, zoals wij die uit moeten leggen voor mensen van nu. Jezus legt de tora uit aan mensen die leven in de tijd van de Pax Romana van het oppermachtige Romeinse keizerrijk, dat korte metten maakt met ieder die haar op wat voor manier dan ook dwarszit. Je kunt er tegen in opstand komen, maar het staat vrijwel vast dat je er dan allemaal onderdoor gaat (zoals uiteindelijk in het jaar zeventig ook gebeurd is). Daarom leert Jezus zijn leerlingen een betere weerstand, een lijdzaam verzet. Sla niet terug, maar keer de andere wang toe, aanvaard het lijden, want uiteindelijk zullen de zachte krachten het winnen op het eind. Zalig, dat betekent gelukkig te prijzen, ben je wanneer je een dergelijke houding op kunt brengen en zo moreel de sterkste blijft. Betekent dat, dat je maar toekijkt, hoe anderen het onderspit delven? Wordt het bevrijdende optreden van Mozes afgekeurd? Nee, voor ons zelf zullen we kiezen liever te lijden en onrecht te lijden, zullen we de moord meer vrezen dan de eigen dood, maar voor anderen zullen we instaan als het moet met ons leven en als het moet eventueel ook met geweld. Geweld tegen de boosdoeners en omwille van de slachtoffers, het enig toegestane geweld in deze nog niet verloste wereld. Geweld roept tegengeweld op, maar wij zijn geroepen om vredestichters te zijn, dat wil zeggen dat we in het grote en in het kleine proberen de spiraal om te buigen, terug te buigen, zodat het geweld afneemt in plaats van toeneemt, daarvoor is geestelijke kracht, kracht van het geloof nodig, de kracht van een betere weerstand, zoals ons die is geleerd en voorgeleefd door Jezus Christus, die aan ons die uit de volkeren zijn Mozes en de profeten heeft uitgelegd. Hem zij de eer. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.