Eerste advent 2013 in de Sloterkerk, gelezen werd Jesaja 2, 1-5, Romeinen 13, 8-14 en Mattheus 24, 32-44.
Gemeente van Christus,
Afgelopen vrijdag was ik in Baarn bij een klein symposium naar aanleiding van het verschijnen van het nieuwste boek van de godsdienstsocioloog Gerard Dekker. De titel van dat boek luidt: Dat Koninkrijk, verwachten we dat nog? Het is een toespeling op de beroemde uitspraak van Gerard Reve: Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat? Maar Gerard Dekker spreekt niet God aan, maar de mensen, de christenen vooral, de mensen van de kerk: Dat koninkrijk, verwachten we dat nog en hij opent met een citaat van Bonhoeffer uit het begin van de jaren dertig:
Het moet toch niet zo zijn dat het christendom, dat vroeger zo enorm revolutionair begonnen is, nu voor altijd conservatief is? Dat iedere nieuwe beweging zich een weg moet banen zonder de kerk, dat de kerk altijd pas twintig jaar later inziet wat er eigenlijk gebeurd is?
Hoe komt het dat christenen in de regel met hun rug naar de geschiedenis staan, dat ze niet vol verlangen uitzien naar de toekomst en alles wat die nog te brengen heeft, maar in de regel kiezen voor vasthouden wat ze hebben, alsof het beste niet om met Obama te spreken “yet to come” is, nog moet komen, maar allang geweest is. Juist op een eerste advent, het begin van de tijd van de verwachting is het goed om daarbij stil te staan: wat verwachten we eigenlijk? Of: verwachten we eigenlijk nog wel iets. De drie relatief korte teksten die het leesrooster heeft uitgekozen voor deze zondag, spreken alle drie over deze verwachting, maar op een verschillende manier en ook niet per se alle drie over hetzelfde. We zijn begonnen met de prachtige droom van Jesaja. Ongelovigen als we zijn, zijn we dat ook al als een profetie voor de jongste dag gaan beschouwen, want ja, een wereld zonder oorlog, wie gelooft daar nog in. Maar daar gaat die profetie helemaal niet over. Het laatste der dagen is niet hetzelfde als de jongste dag. Het laatste der dagen dat wil zeggen: uiteindelijk zal het komen staan te gebeuren, ik ben er vast van overtuigd, dat moment zal komen. Misschien heeft hij vooruitgezien naar die tijd kort na de ballingschap, dat het volk terugkeert naar Juda en Jeruzalem en met een schone lei mag beginnen, als de z.g. Torarepubliek wordt gesticht. Nu doen we alles anders. Ach ja, natuurlijk, het is niet gelukt, dat weet ik ook wel, en ook Jesaja heeft vast wel zijn portie teleurstellingen gehad. Maar vaststellen dat het niet gelukt is, is niet hetzelfde als vaststellen, dat het ook wel nooit iets zal worden. Lees die tora, dat Magna Charta van de bevrijding, dan moet je toch wel denken: zo zou het moeten, dat zou mogelijk moeten zijn. Het recht van de arme van de weduwe en de wees voorop, eerlijk delen, dan moet het lukken, want als er geen verschillen meer zijn, dan zal er ook geen oorlog meer zijn, en dan zullen ze uit de hele wereld op komen dagen met de vraag: hoe hebben jullie dat voor elkaar gekregen? En dan zullen ze zeggen: Van Sion is de onderwijzing uitgegaan en het woord van de Heer uit Jeruzalem.
Aan die wet, en dat is dus de tora van Mozes, herinnert Paulus in de brief aan de Romeinen als hij daar zegt: wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Hij schrijft dit in het beroemde en beruchte dertiende hoofdstuk van zijn brief, dat begint met de oproep om je te onderwerpen aan de overheid, die over je is gesteld. Maar door dit tweede gedeelte van het hoofdstuk, dat er niet altijd bij wordt gelezen, komt ook die eerdere oproep in een ander licht te staan, in het licht van de liefde. Op eens komt die oproep om onderdanig te zijn aan een ieder die boven je is gesteld en om elk bedrag te betalen dat je iemand schuldig bent, bijna in het licht te staan van de Bergrede. Als iemand je op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe, als iemand je tot één mijl prest, ga er twee. Weest niemand iets schuldig dan liefde. Al dat andere, wat je iemand schuldig zou zijn, of waarvan een ander denkt dat je het hem of haar schuldig bent, is dat zo belangrijk, dat het je liefde voor die ander in de weg kan staan. Buig je hoofd maar, betaal die belasting maar, er zijn belangrijkere dingen in het leven. Want je doet dit allemaal en je bewijst die liefde, zegt Paulus, “omdat wij weet hebben van het beslissende moment”, van de kairos, van het uur U, waarop alles anders zal zijn. Heel ons leven tot dan toe, zal zijn als een slaap waaruit we wakker worden geschud. Het zal voorbij zijn gegaan als in een droom. En dan zegt hij iets heel opmerkelijks: want we zijn nu dichter bij onze bevrijding dan toen we tot geloof kwamen. Paulus maakt daarmee duidelijk dat hij die bevrijding ziet als een concreet punt in de tijd en niet als iets vaags, dat ons in het hiernamaals zal gebeuren. Er is volgens Paulus sprake van ontwikkeling, het gaat ergens heen, we lopen niet in kringetjes rond, maar we komen ergens vandaan en we gaan ergens naartoe. Dietrich Bonhoeffer, niet alleen de favoriete theoloog van Gerard Dekker, maar ook van mij, schreef in zijn ethiek: theologisch gezien is Gods goede schepping waar we vandaan komen en het koninkrijk Gods onze toekomst. En natuurlijk er is geen sprake van een rechte lijn, in die zin dat het alsmaar beter wordt tot lang zal die leven in de gloria, maar het komt op ons toe en soms zien we er ook even iets van. Denk aan de afschaffing van de slavernij, dit jaar honderdvijftig jaar geleden. Je kunt natuurlijk zeggen dat heel veel mensen ook na die afschaffing nog verschrikkelijk werden uitgebuit en dat is natuurlijk waar tot op de dag van vandaag, maar de slavernij is afgeschaft, wie zijn werknemers mishandelt of onderbetaalt of aan onnodig gevaar blootstelt, kan daarop aangesproken worden en hij kan dat niet afdoen met de mededeling dat het zijn slaven, zijn eigendom is, waarmee hij kan doen en laten wat hij wil. Paulus ziet licht aan het eind van de tunnel. “De nacht is haast ten einde”, u snapte natuurlijk dat ik zo heb vertaald met het oog op de prachtige liedtekst van Jochen Klepper: Die Nacht ist vorgedrungen, der Tag ist nicht mehr fern. De nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver. Jochen Klepper schreef deze tekst in 1938, midden in de Nazi-tijd. Vijf jaar later zou hij met zijn Joodse vrouw en haar beide dochters zelfmoord plegen om te voorkomen dat zij naar Auschwitz zouden worden gedeporteerd. Klepper heeft dus niet gedacht: het gaat nu zo geweldig, we zijn er bijna. En ook Paulus heeft dat niet gedacht, maar ze zijn beiden gegrepen geweest door dat visioen van het komende koninkrijk, waarvan ze wisten dat het aan zou moeten breken. En ik zal u eerlijk zeggen, dat ik vind, dat we noch Paulus, noch Mattheus, noch Jesaja noch Jochen Klepper recht doen, wanneer we zouden zeggen: nou dat hebben ze dan mooi mis gehad! Ik ben het dan ook uiteindelijk niet eens met de historicus Piet Leupen, die een boek schreef met de titel: de vergissing van Jezus. Kort samengevat: Jezus dacht dat het Koninkrijk op korte termijn zou komen, maar dat was niet zo. Dat lijkt een waarheid als een koe, maar de waarheid heeft vele gezichten. Er is ook de andere waarheid van Paulus en Mattheus en Jesaja, die weet hebben van dit grote visioen, die uit dit visioen en voor dit visioen geleefd hebben en ervoor hebben willen sterven, omdat ze wisten: het moet ergens naartoe gegaan, we zijn hier niet op de aarde om in onze kringetjes rond te lopen en dan weer te verdwijnen. We zijn geroepen om iets te doen. En al weten we dat het niet aan ons is om dat koninkrijk te realiseren, we zouden misschien wel een beetje mee kunnen helpen bij de wegbereiding. Voorwaarde is dan wel dat we erin geloven en ervoor gaan. Het komende koninkrijk is een ethische opdracht, die door Paulus kort en krachtig wordt samengevat: Als je weet hebt van die dag die komen gaat, leid je leven dan in overeenstemming met die komende dag. De nacht is haast ten einde, leg dan de werken van de duisternis af, trek de wapenen van het licht aan, trek Jezus Christus zelf aan, bekleed je met hem, wordt nieuwe mensen, die wandelen in het licht. Hadden jullie dat gedacht, dat Romeinen 13 daarover ging, over een leven in het licht en een wandelen in de liefde? Daarom zijn wij de overheid onderdanig, niet omdat we die overheid of onze economie als een godheid aanbidden, maar omdat we weet hebben van een ander koninkrijk dat komt. Ik heb niets tegen ons tweehonderdjarige koninkrijk, maar ons is nog iets heel anders aangezegd, een koninkrijk van vrede en gerechtigheid, een leven in liefde en vriendschap met alle mensen. Geloven we daar nog in, verwachten we dat wel, of denken we dat advent gewoon een aardige voorbereiding op het kerstfeest is en dat we volgend jaar opnieuw beginnen te tellen?
Mattheus heeft het gehad over de gruwel der verwoesting en we mogen aannemen dat hij daarmee gedoeld heeft op de ondergang van Jeruzalem, die toen hij zijn evangelie schreef rond het jaar tachtig, al had plaatsgevonden. Hadden ze het aan kunnen zien komen, hadden ze het kunnen weten? En was het wel zo verstandig om in opstand te komen tegen het oppermachtige Romeinse Rijk, was die opstand wel de manier waarop het andere koninkrijk gerealiseerd zou moeten worden. Paulus en Mattheus weten het en ze denken dat men het ook had kunnen weten. Daarom wordt de gelijkenis van de vijgenboom verteld. Het gaat over de tekenen des tijds. En daarmee begeven we ons natuurlijk op heel glad ijs. Er zijn er heel wat geweest, die precies wisten, dat en hoe en wanneer het einde der tijden aan zou breken. En niet alleen hebben ze ongelijk gehad, ze hebben ook een gigantische schade aangebracht bij hun volgelingen. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat we maar tegen elkaar moeten zeggen, dat je er toch niets over kunt zeggen en dat het een zaak van afwachten is. We kijken naar de vijgenboom en leren de les van de geschiedenis. Ik noem een simpel voorbeeld: Als we de spanningen tussen de westerse wereld en de islam blijven opstoken en aanwakkeren, dan komt het een keer tot een ontlading, dat kun je zien aankomen. Er zal dus omwille van de vrede en liefde onder de mensen de-escalerend opgetreden moeten worden, er zal begrip gezocht moeten worden. We zouden ook hen niets dan liefde schuldig moeten zijn. En als Jezus zegt, dat al die dingen zullen gebeuren, voordat zijn generatie ten einde is gegaan, dan heeft hij het niet over het einde der tijden, maar over wat hij gezegd heeft over de ondergang van Jeruzalem. Dat was te voorspellen, dat hing al in de lucht. Over dat andere uur, over de komst van de mensenzoon, over het komende koninkrijk , daarvan weten we niet, maar we zien daar ook niet doemdenkend naar uit als naar het einde van de wereld, maar – dat hoop ik althans – vol verwachting als naar een wenkend perspectief. Advent betekent komst. De mensenzoon komt, het vredesrijk komt, de profeten en apostelen hebben niet vergeefs gesproken. Eens zal het voor iedereen zichtbaar zijn, maar voor die tijd, door de eeuwen heen en van dag tot dag, zijn er god zij dank mensen die er iets van ervaren en ervaren hebben, die eruit leven en ernaartoe leven en daardoor de gebeurtenissen in deze wereld zien in het licht van Gods toekomst. Dat koninkrijk, verwachten we dat nog? Ik hoop van wel. Laten we waakzaam zijn. De nacht is haast ten einde.
Amen.