Preek in de Muiderkerk (Amsterdam-Oost) op zondag 10 november 2013. Gelezen werd 2 Koningen 4, 8 – 37 (Naardense bijbel) en Lucas 19, 41 – 48 (vertaling Oosterhuis / van Heusden)
Lieve gemeente,
Vorige week zijn we in onze alternatieve cyclus overgegaan van de Elia-verhalen, naar de Elisa-verhalen. Eigenlijk was het nauwelijks een overgang. Het verhaal ging gewoon door, maar nu alleen met een andere hoofdpersoon. Maar wat hij doet en zegt… het is alsof Elia nog rondloopt. Elisa is in alles als Elia. Als we de verhalen over Elisa lezen, dan moeten we één passage uit het verhaal over de hemelvaart van Elia goed in gedachten houden. Als Elia vraagt, wat Elisa van hem zou willen hebben, dan antwoordt deze: twee delen van jouw geest. Dat is een wat dubbelzinnige opmerking, want twee delen kan betekenen: een behoorlijk deel, twee keer zoveel bijvoorbeeld als de andere leerlingen van Elia, of het kan betekenen: een dubbel deel, jouw geest, maar dan twee keer zoveel. Het lijkt dat het laatste bedoeld is. En Elia zegt dan: als jij ziet hoe ik wordt opgenomen, zal het je geschieden en anders niet. Elisa klampt zich aan hem vast, hij wil en zal erbij zijn, hij verlaat Elia niet, hij kijkt en kijkt en dan wordt Elia aan zijn gezicht onttrokken. Heeft hij het gezien? Ook dat blijft in het midden, maar als de profetenzonen Elisa terug zien komen, weten ze het zeker: de geest van Elia is op Elisa. De geest van de profetie is nog niet dood, maar wordt nu belichaamd door Elisa. “God zal helpen” luidt zijn naam! Elisa is de man Gods, Gods helpende hand. Het verhaal over Elia en de weduwe van Sarfat, wordt nu opnieuw verteld met Elisa als hoofdpersoon, maar het is minstens twee keer zo groot geworden en het is opgedeeld in drie verhalen. Eerst hadden we – u hoorde het vorige week – het verhaal over de weduwe van een profeet, die het uitroept in opperste nood, omdat een schuldeiser haar haar zonen af wil nemen. En zoals de olie in de kruik van de weduwe van Sarfath niet opraakte, zo ook het olie in haar kruik niet. Zij schenkt en schenkt en blijft maar schenken, tot ze voldoende olie kan verkopen om haar schuld te betalen en haar zonen te vrijwaren van slavernij. Niet één, maar twee zonen worden nu gered door Elisa, een dubbel deel! En de hongersnood, waarvan in het Elia-verhaal wordt gesproken is opgeschoven naar een verhaal in het achtste hoofdstuk, dat buiten onze cyclus valt.
In ons verhaal, dat een herhaling is van het verhaal over de opwekking van het zoontje van de weduwe van Sarfath, hebben we nu niet te maken met een weduwe, maar met een welgestelde vrouw, een grote vrouw, zegt de Hebreeuwse tekst letterlijk. Elisa is van een zelfde kaliber. Als hij geroepen wordt door Elia is hij aan het ploegen met twaalf span ossen, een zeldzame rijkdom, die hij overigens moeiteloos opoffert om Elia te volgen. De Sunamitische (zo zal Elisa haar telkens noemen, want ze krijgt geen naam in het verhaal) is een vrouw van niveau en ze herkent in Elisa ook een man van niveau. Hij is een man Gods als Elia, nee meer dan dat hij is een heilige man Gods, die door haar met de nodige egards wordt behandeld. Ze nodigt hen uit, wat heet, ze pakt hem beet en sleept hem bijna haar huis binnen, om bij haar brood te eten. Steeds opnieuw gaat Elisa daar voorbij, en steeds opnieuw buigt hij af om haar brood te eten. Hij is er kind-aan-huis, hij krijgt er zelfs zijn eigen kamer, met alles wat hij nodig heeft. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt? Dat lijkt hier niet aan de orde. Het verhaal heeft geen kritiek op Elisa. Zoals er later ook welgestelde vrouwen zullen zijn, van wie gezegd wordt dat ze Jezus volgen en hem dienen. De Schrift kritiseert rijkdom niet, ze kritiseert wat mensen met hun rijkdom doen. Deze Sunamitische heeft de stem van de profetie herkend en wil daar een bijdrage aan leveren. En Elisa wil graag wat terug doen, maar dat hoeft niet, zij heeft haar plek in de samenleving en alles wat ze nodig heeft. En dan stelt Gehazi, Elisa’s knecht vast, dat ze geen zoon heeft en haar man al oud is. We herkennen natuurlijk gelijk het verhaal van Abraham en Sara. Deze die de stem van de profetie dient, zou onvruchtbaar blijven? Dat kan natuurlijk niet. Met dezelfde woorden als die tegen Sara worden gesproken, wordt haar beloofd, dat ze over een jaar een kind zal hebben. (Overigens tussendoor even over de rol van Gehazi in dit verhaal. Elisa offerde alles op om als een soort persoonlijke assistent Elia te volgen en hem na zijn opneming op te volgen. Gehazi heeft een soortgelijke relatie met Elisa. Alleen bij hem gaat letterlijk alles mis, op hem zal geen dubbel deel van de geest van Elisa rusten, ja zelfs geen half deel. Alsof de Schrift ons wil zeggen: apostolische successie, mooi verhaal, maar niets gaat automatisch, Elisa zal ook moeten blijken een werkelijke opvolger van Elia te zijn en dat blijkt hij ook, Gehazi blijkt het niet te zijn. De profetie in Israël is net als het koningschap geen vanzelfsprekende zaak, die van vader op zoon of van profeet op profetenzoon gaat, het zal steeds opnieuw moeten blijken of er gehoord wordt naar het woord van de Eeuwige).
Maar – we zagen het al aankomen – zoals de zoon van de weduwe van Sarfat, ziek werd en stierf, zo ook de zoon van deze Sunamitische. Zoals we in dat verhaal de weduwe zagen zitten met het dode kind op haar schoot, nu ook hier. Maar de man Gods is niet in huis, ze gaat op pad om hem te halen. Ze blijkt niet alleen een vrouw van gezag, die haar plaats heeft ingenomen binnen de volksgemeenschap, ze heeft ook gezag in haar eigen huis. De tegenwerpingen van haar man mogen niet baten, zij snoert hem met haar vredesgroet de mond en gaat op weg naar de man Gods. Die bevindt zich bij de berg Karmel, hij is daar te vinden, waar Elia zijn grote overwinning heeft behaald op de priesters van Baäl. Vanuit de hoogte ziet hij haar komen en stuurt zijn knecht Gehazi op haar af. Is er vrede met u, met uw man, met het kind? En met hetzelfde woord, waarmee ze haar man de mond snoerde, nu ook Gehazi, ja, vrede. Ze zal hem niet vertellen wat er gebeurd is, ze wil naar Elisa. En ze grijpt zijn voeten vast, het is duidelijk dat ze zich met heel haar ziel en zaligheid aan Elisa uitlevert. Gehazi begrijpt het natuurlijk onmiddellijk als ongepast en wil ingrijpen (waar de geest ontbreekt hangen we de moraalridder uit). Elisa herkent de vrouw in haar verdriet en draagt zijn knecht op om spoorslags naar de jongen te gaan en zijn staf op het gezicht van de jongen te leggen. Elisa lijkt wel erg overtuigd van zijn dubbel deel van de geest van Elia, hij denkt dat zijn staf al voldoende kracht in zich draagt om de jongen te genezen. De vrouw gelooft er niet in. Zoals Elisa tot drie keer toe tegen Elia zei: bij het leven van de Ene en bij het leven van mijn ziel, als ik jou loslaat, zo zegt zij dat nu tegen Elisa en Elisa weet, zij zal niet loslaten, ik moet met haar gaan. Hij volgt haar. De weduwe van Sarfath zou na de opwekking van haar zoon zeggen: nu weet ik waarlijk, dat jij een man Gods bent en dat het woord van de Ene betrouwbaar is in jouw mond. De Sunamitische gelooft dat al op voorhand, ze klampt zich aan hem vast en hij moet haar wel volgen omwille van haar geloof. En inderdaad de actie van Gehazi loopt op niets uit. Of de kracht niet in de staf was of dat het ongeloof van Gehazi de genezing uitsluit, het verhaal laat het in het midden. Elisa komt zelf en zie de jongen is dood. Hij sluit zich op met de jongen en bidt tot God. De inhoud van het gebed wordt anders dan bij Elia niet verteld, maar daarna gaat hij aan de slag. Of het ritueel een vorm van mond op mond beademing is, ik geloof niet dat de tekst ons uitnodigt om uit te zoeken wat er nu precies gebeurd is. Elisa warmt het lichaam op met zijn eigen lichaam. Ik denk: mond op mond, hij blaast zijn adem, zijn geest in het kind, zoals de eeuwige ooit de levensadem blies in de neus van de mens, waardoor hij een levende ziel werd. Hij wil door zijn handelen tenminste aan dit gebeuren herinneren, dan niest het kind zeven malen. Ja tel maar mee met de dagen van de week, hij is echt weer helemaal bij de tijd, hij doet zijn ogen open. Hij laat Gehazi de Sunamitische roepen en deze valt nu voor zijn voeten en buigt zich ter aarde. Dan tilt ze haar zoon op en gaat naar buiten.
Gaat dit niet te ver. Elisa is toch de Here God niet, is ons niet geleerd, dat we ons niet zullen neerbuigen voor een gesneden beeld, noch voor iets dat in de hemel of op de aarde is? Het lijkt op de grens, maar opnieuw: de Schrift kritiseert het niet. De bijbelschrijver houdt het er kennelijk op dat de Sunamitische in Elisa, de man Gods, de stem van God, de helpende hand van God heeft herkend en dat haar buigen voor Elisa dus feitelijk een buigen voor God is. Zou God anders op aarde zijn, dan in de handen en de voeten, in het spreken en handelen van mensen, die zijn stem hebben gehoord. “God is geest” zegt de brief van Johannes en het is kennelijk die geest, die ook Geest van God is, waarvan Elisa zich een dubbel deel heeft gewenst en waarvan hij kennelijk ook een dubbel deel heeft gekregen. Maar de hoofdpersoon in dit verhaal is eigenlijk niet Elisa, maar is deze niet bij name genoemde grote vrouw uit Sunem. Zij laat Elisa afbuigen, zij laat de profetie afbuigen, zij weet wat tot haar vrede dient. Tegen haar man en tegen Gehazi zegt ze: ‘Shalom’, Piet Oussoren vertaalt de eerste keer buitengewoon geestig met de franciscaanse vredesgroet: “Vrede en alle goeds” en de tweede keer met “vrede”. En nu weet ik best, dat als ze vandaag de dag in Israël ‘shalom’ zeggen, dat ze nauwelijks aan vrede denken (dachten ze maar wat meer aan vrede) maar eigenlijk gewoon gedag zeggen, maar de bijbelschrijver weet heel goed, waarom hij wel vijf keer het woord ‘vrede’ wil laten horen. Het gaat om de vrede in het land, de vrede in het huis van de weduwe, maar ook de vrede in het huis van deze welgestelde vrouw. Want dat is wat ze allemaal nodig hebben in onzekere tijden, een beetje rust een beetje veiligheid, kortom: vrede. Van de koning, of die nu Achab, of Achazia of Joram heet, moeten ze het niet hebben. Vrede vinden ze bij die ene man, die gezonden is om de stem van de profetie, om het woord van de eeuwige te laten horen en dat is wat tot hun aller vrede dient. Dat is waar Jezus over huilt, als hij Jeruzalem binnentrekt, dart ze niet weten wat tot hun vrede dient, dat de stem van de profetie verdwenen is en dat als zich iemand aandient die deze stem opnieuw als nooit tevoren ten gehore wil brengen, zij die niet willen horen, het alleen maar lastig vinden. Hoe komen we daarvan af, hoe kunnen we hem verloren doen gaan, hoe kan die stem gesmoord worden. Het gaat niet vanzelf, na Elia en Elisa volgt er niet zomaar een derde grote profeet, maar ze zijn er altijd: De Obadja’s, de knechten des Heren, die hun knie niet hebben gebogen voor de Baäls, voor de Moloch en de Mammon, die van Gods huis geen rovershol hebben gemaakt, maar tegen de koning en de legeroverste vrijuit hebben gesproken wat hen door God was ingegeven. Ze zijn er nog, ze zullen er altijd zijn, maar de vraag blijft of ze gehoord worden. Want er zijn niet alleen profeten nodig, maar ook mensen, vrouwen of mannen als die grote vrouw uit Sunem, die de profetie als profetie, als woord van God herkennen en er hun handelen op afstemmen. Ook dat is geloof! En dat geloof heeft haar gered. Amen.