Preek in de leerdienst van het leerhuis “De Valkenburcht” te Maarsbergen op zondag 23 oktober 2016. Gelezen werd Deuteronomium 34 en Psalm 119, 97-104
“Hoe blij zijn we met de wet?”
Beste mensen,
In 1983 werd de nobelprijs voor literatuur uitgereikt aan de Britse auteur William Golding. Zijn mooiste boek vind ik ‘Lord of the Flies’. Wellicht kent u het. Het gaat over een groep Engelse kostschooljongens die schipbreuk lijden en achterblijven op een onbewoond eiland. Al snel splitst de groep zich op in een groot deel, dat zichzelf ‘savages’ (wilden) noemt en een kleiner aantal, dat beseft dat hun enige kans op redding erin is gelegen een vuur brandend te houden, zodat ze rooksignalen uit kunnen zenden als er een schip aan de horizon verschijnt. Om dat vuur te kunnen maken hebben ze de bril nodig van de zeer slecht ziende wat dikkige jongen die Piggy wordt genoemd. Uiteindelijk zoeken de wilden, die alleen maar willen jagen en vlees eten – en daarvoor vuur nodig hebben – de confrontatie met het kleine groepje rond Ralph en Piggy, stelen hun vuur en nemen de bril van Piggy mee. Ralph en Piggy besluiten de jagers te confronteren met wat ze gedaan hebben. Als ze opgewacht worden door een groep uitgelaten jongeren met zelfgemaakte speren en stenen om te gooien, spreekt de vrijwel blinde Piggy ze toe en net voor hij dodelijk wordt getroffen, formuleert waar het in het leven om gaat: “Do you want to have rules and obey or live like animals”. Ja, daar gaat het om: zijn we bereid ons te houden aan een aantal essentiële regels of is de wet van de jungle de enige die telt. Een aantal jaren geleden maakte ik voor het blad Ophef, waarvan ik hoofdredacteur ben, een themanummer over het begrip ‘vrijheid’. Omdat ik daarin ook graag een joodse visie verwoord wilde hebben, vroeg ik aan de inmiddels in Frankfurt werkende vrouwelijke rabbijn Elisa Klapheck of ze een bijdrage wilde schrijven. Dat wilde ze wel en enige tijd later kreeg ik op mijn mail een artikel aangeleverd, waarvan de titel luidde: “het belang van regels”. Ik ben opgegroeid in de jaren zestig en een zeker anarchisme is me niet vreemd, want er zijn een oneindig aantal zinloze regels en conventies, waaraan we ons zouden moeten houden, maar die geen enkele nut hebben. Het is niet in de laatste plaats door mijn studie van Tenach, bij mensen als Frans Breukelman, Yehuda Ashkenazy en Karel Deurloo geweest, dat ik meer en meer besefte: zonder regels, zonder tora gaat het niet. Vrijheid kan niet zonder regels, anders zou jouw vrijheid die van anderen inperken. Het christendom heeft altijd een moeizame verhouding met de tora en het eerste testament in het algemeen gehad. De grote Duitse godsdiensthistoricus Adolf von Harnack snapte niet dat we dat in de twintigste eeuw nog nodig zouden hebben. In de Heidelberger Catechismus lazen we dat we onze ellende kenden uit de Wet des Heren. Daar werd je niet vrolijk van. Dat die tora wellicht niet gegeven zou zijn om onze ellende te leren kennen, maar om ons uit onze ellende te verlossen, dat was ondenkbaar, want de verlossing was door Jezus Christus. Dat je zou kunnen dansen met de wet, dat het een bron van onuitputtelijke vreugde zou kunnen zijn, zodat je met recht zou kunnen zeggen: “Mij is zo lief geworden, uw wet”, dat kwam in onze harten niet op.
Of God bestaat en hoe God bestaat, dat weet ik niet en zal ik misschien ook nooit weten, maar zonder tora kan ik niet. Heb je dan, zo zal de gelovige christen vragen, Jezus helemaal niet nodig? Hoewel dat vandaag eigenlijk niet aan de orde is, wil ik er toch wel op ingaan. Door Jezus zijn wij, die uit de volkeren zijn, betrokken geraakt bij de God van Israël, bij het verhaal van die God en Israël en zo ook onder het beslag gekomen van de Tora. Van die Tora is ook met de komst van Jezus Christus, die als alle rabbijnen voor hem en na hem geprobeerd heeft die tora uit te leggen, te leven en te actualiseren, geen tittel of jota verloren gegaan. In de dagboeken van Miskotte, die ik bewerk voor uitgave, kwam ik tegen dat hij in 1939 een brief schreef aan de Joodse filosoof Hans-Joachim Schoeps naar aanleiding van diens vraag of het Nieuwe Testament leerde, dat wij verlost zouden zijn. De brief heb ik niet gevonden, maar de strekking schrijft Miskotte met grote letters in zijn dagboek: NEEN! Immers had hij ja gezegd, dan zou hij gemeend hebben, dat we de tora niet meer nodig hadden, terwijl hij juist in dat jaar Edda en Tora schrijft om op te roepen tot een scheiding der geesten: het is of de Edda van het nieuwe heidendom of de tora, als de aangewezen structuur voor ons denken, die in eerste en tweede testament het ABC vormt.
In het jodendom vallen God en tora bijna samen. We mogen ons van God geen beeld maken en in een synagoge zult u dan ook geen afbeeldingen aantreffen, maar de heiligste plaats in de sjoel is de ark, waar de rollen van de tora worden bewaard. Er wordt een brooche (een zegenbede) uitgesproken als ze te voorschijn worden gehaald. Wij kennen dat niet. Als er in kerken (bijvoorbeeld in de katholieke of lutherse) extra eerbied is voor de Schrift – bijvoorbeeld door te gaan staan – is dat als er uit het Nieuwe Testament wordt gelezen of als in de catholica het perikopenboek wordt aangedragen.
De 119e psalm is één groot loflied op de tora. Het moet laat geschreven zijn, toen de tora, ook in geschreven vorm al voorhanden was en na de ballingschap de traditionele tempeldienst deels vervangen was door het synagogale jodendom, waarin de tora centraal stond en de offers werden vervangen door gebeden. De centrale thema’s van het klassieke jodendom: ‘Jeruzalem, tempel, offer’ komen in deze psalm niet voor. Het is liturgie, liturgie in letters van A tot Z. Letterlijk van A tot Z, want het is een zogenaamd acrosticon. De psalm bestaat uit 22 strofen, evenveel als er letters (medeklinkers) zijn in het Hebreeuwse alfabet. In elke strofe beginnen alle verzen met een volgende letter van het alfabet. In het gedeelte, dat we vanmorgen hebben gelezen is de letter ‘mem’ aan de orde en ik weet niet of het u opgevallen is, maar Piet Oussoren heeft ook in zijn vertaling alle verzen van dit gedeelte laten beginnen met een ‘m’. Elke strofe bestaat uit acht verzen en in de hele psalm worden acht verschillende aanduidingen voor de tora gebruikt. Levenskunst is letterkunde, schreef Willem Barnard naar aanleiding van deze psalm. We kunnen het misschien gekunsteld vinden, maar als het om de tora gaat, kan het niet kunstig genoeg moet de dichter gedacht hebben. We leren van alles, we zitten hier in een leerhuis. We hebben vele leraren, goede en soms ook minder goede leraren, we leren van elkaar en we leren uit talloze boeken en tijdschriften, maar nergens leren we zoveel als uit de tora. Zoet als honing is de tora. Als Simson zijn raadsel over de zoetigheid die uitgaat van de sterke vertelt, weet hij dat hij met onbesneden Filistijnen van doen heeft, die zijn raadsel nooit zullen raden, zouden het gelovige joden zijn geweest, dan was het nauwelijks een raadsel geweest, maar hoogstens een parabel.
Maar nu, vandaag de dag? Hebben wij die tora van Mozes nog nodig of moeten we met Von Harnack zeggen, dat we begrijpen dat de oude kerk hem heeft ‘beibehalten’, dat we ook snappen dat de Reformatie hem niet heeft afgeschaft, maar dat ie voor onze tijd niet meer van belang is? Wij leven in een democratische wereld, die de rechten van de mens als richtsnoer heeft geaccepteerd en die een dik wetboek heeft, waarin precies is vastgelegd wat we wel en wat we niet mogen. Een door mij op zich zeer gewaardeerde emeritus-hoogleraar zei ooit bij de presentatie van een boek. “Ach, ethiek, dat is toch niet het belangrijkste, in grote lijnen weten we toch allemaal wel wat ons te doen staat.” Ik heb drie jaar gewerkt aan de vertaling van Bonhoeffers ethiek, u begrijpt, ik was daar niet blij mee. Natuurlijk weten we in grote lijnen wel waar we ons aan te houden hebben en zijn we in de regel prima in staat om te voorkomen dat we door de politie van ons bed gelicht worden, maar dan hebben we het alleen over de grenzen, die al dan niet overschreden worden. Tora is ten diepste en in de meest omvattende zin ‘ethiek’. Ze bestaat voor het grootste gedeelte uit halacha (halooche in het jiddisch) uit aanwijzingen voor het leven. Maar, en dat is het spannendste woord uit ons tekstgedeelte, er wordt ons niet gezegd, dat we die hele tora uit ons hoofd moeten leren en ons aan alle regeltjes houden, nee er wordt gezegd, dat we die tora de hele dag (elders wordt zelfs gezegd, bij dag en bij nacht) moeten ‘overpeinzen’. We moeten ermee bezig zijn, we moeten ons bij wat we doen en laten afvragen of het geoorloofd is, of het in het licht van het Woord van God een juiste handeling is. En natuurlijk, dat heb ik van Bonhoeffer geleerd, is het uiteindelijk onze eigen verantwoordelijkheid en kunnen we die niet afschuiven op welke regel dan ook. Maar sommige dingen zijn geoorloofd en andere niet. U heeft vast al heel vaak het beroemde verhaal van Abel Herzberg over schoolmeester Labi gehoord. Labi weigert de soep in het concentratiekamp, omdat er een draadje paardenvlees in zit. Alle andere joden leggen hem uit, dat hij dood gaat als hij de soep niet eet en dat hij in die situatie niets tegen de tora doet, wanneer hij die soep eet. Maar Labi weigert, want juist daar in het concentratiekamp, waar men zich aan geen enkel gebod houdt, juist daar wil hij duidelijk maken, dat sommige dingen geoorloofd zijn en andere niet. Daar moet over nagedacht worden, dat maakt ons tot ethische wezens. Dat wij in een steeds verder seculariserende wereld leven, daar maak ik me niet de grootste zorgen over. Er is zelfs aanleiding om te zeggen, dat de Schrift die secularisatie al in zich draagt door het vereren van beelden en goden te verbieden en uiteindelijk afstevent op een situatie, waarin God alles in allen is en geen tempel meer nodig is. Maar waar ik me bijna iedere dag zorgen over maak, is dat we leven in een wereld, waarin steeds minder wordt nagedacht. We hebben een minister-president die toekomstvisie een roze olifant noemt, nergens voor nodig. Als er vragen worden gesteld over iets wat in de jaren zeventig is gebeurd, hoort u al onze bewindslieden en Kamerleden zeggen, dat dit voor hun tijd was. Geen toekomstvisie en geen historisch besef, leven op de korte termijn, van dag tot dag en van de hand in de tand. Gewoon ophouden met denken. Ik ga gewoon op mijn gevoel af, hoor ik mensen dan vaak zeggen en ik houd mijn hart vast.
“Mij is zo lief geworden uw tora, heel de dag is ze mijn overpeinzing.” De gelovige jood draagt het op zijn voorhoofd en op zijn pols. Sjema Jisraeel, Adonaj eloheenoe, adonai echaad. Hoor Israël, de eeuwige is onze god, de eeuwige is één. Daarom zult gij de eeuwige uw god liefhebben… Het jodendom, en ik hoop wij ook, loopt rond met een vraag: hoe doen we dat, God liefhebben? Die vraag moet heel de dag overpeinsd worden. Hoe heb ik God lief in wat ik doe en laat? Daarvoor moet ik zijn tora overpeinzen. Die tora moet ik liefhebben als was het God zelf. Dat is geen wetticisme, dat is een vorm van bewust leven, nadenkend leven. We doen niet zonder nadenken wat ons voor de hand komt, we eten niet onbewust wat ons voor de mond komt, we zeggen niet zomaar, wat ons te binnen schiet. Uiteindelijk moet ik zelf beslissen, soms moet ik afwegen welke regel zwaarder weegt en soms zelfs in welke situatie een regel wordt opgeheven. “Was heisst die Wahrheit sagen”, schrijft Bonhoeffer in de gevangenis van Tegel als hij dag in dag uit door de SS wordt ondervraagd over zijn mogelijke aandeel in de samenzwering tegen Hitler. De Schrift lijkt helder: gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. Maar als het nu juist de leugen is, die het leven van de naaste redt, is die leugen dan niet de hoogste waarheid? Niets kan ons onze verantwoordelijkheid afnemen, ook de tora niet. Maar we hebben een denkraam nodig. Vreugde der wet, simchat tora, is de onvergelijkelijke vreugde, dat ons zo’n denkraam geschonken is, dat we niet in het duister tasten, maar een licht hebben op ons pad. Simchat tora sluit ook de grote periode van heilige dagen af. Van Rosh ha Sjana, het nieuwjaarsfeest, de vreeswekkende dagen tot Iom Kippur en daarna de iom tovs, de goede dagen van het grootste feest Soekkot en tenslotte Simchat tora: we lezen het slot van Deuteronomium over de dood van Mozes, de man die zijn naam heeft gegeven aan de Tora, en volgende week neemt het gewone leven weer zijn loop. Dan beginnen we met Beresjiet, het begin, de eerste hoofdstukken van het boek Genesis. En zo gaan we van Schrift tot Schrift, in de hoop daarin een weg te vinden die ten leven leidt, die ons inzicht geeft in de wereld waarin we leven, die ons wijzer maakt dan onze leraren. Die ons inzicht geeft in wat ons te doen staat, hier en nu en tot in eeuw die komt.
Amen.