Preek in de Johanneskerk (Amersfoort) op 31/1/2010

Preek in de Johanneskerk te Amersfoort op zondag 31 januari 2010

Gelezen werd: Jeremia 1, 4-10 en Lucas 4, 21-30

Beste mensen,

We vallen vandaag een beetje vreemd met de deur in huis, omdat het rooster van de eerste dag het verhaal over Jezus in zijn geboortestad Nazareth in tweeën heeft geknipt, zodat we nu midden in het verhaal beginnen. Maar gelukkig hebben ze bij het knippen een plakrandje achter­gelaten, want het laatste vers van vorige week, vormt nu het begin van onze lezing en dat is dan ook het centrale vers van waaruit het hele verhaal begrepen moet worden: “En hij nu begon te zeggen, heden is deze Schrift in jullie oren vervuld.” En met deze Schrift wordt dus het gedeelte uit het Jesaja-boek bedoeld, dat Jezus daar in de synagoge van Nazareth heeft voorgelezen. De Geest van de Heer is op mij, daarom heeft hij mij gezalfd om aan armen een goede boodschap te brengen, om aan gevange­nen vrijlating te verkondigen en aan blinden het gezicht, gebrokenen in vrijheid heen te zenden en het welkome jaar van de Heer te verkondigen. U begrijpt: Lucas heeft Jezus niet het gedeelte laten lezen waar de bijbel toevallig openviel of wat er toevallig aan de beurt was, maar deze lezing is nauwkeurig gekozen als het programma, dat Jezus in heel het verdere evangelie-verhaal zal gaan waarmaken. Bij Lucas is het optreden van Jezus in Nazareth zijn eerste openbare optreden, dus ook de eerste keer dat hij in het openbaar spreekt. Hij leest dit gedeelte en dan begint hij te zeggen: Heden is deze Schrift in jullie oren vervuld! Betekent dit, dat Jesaja deze boodschap met het oog op Jezus heeft geschreven en dat we de profeet Jesaja en wellicht het hele Oude Testament zo moeten lezen: als een vooraankondiging van Christus. U weet, zo heeft de kerk door de eeuwen heen de bijbel gelezen en daarmee de Joodse Schrift tot christelij­ke Schrift gemaakt. Als de derde Jesaja, de schrijver van het slot van het Jesaja-boek, zegt, de Geest des Heren is op mij, dan bedoelt hij zichzelf, zichzelf als dienstknecht van de Heer, die de opdracht heeft om de teruggekeerde ballingen een hart onder de riem te steken en te zeggen, dat er ondanks alle moeilijkheden nu echt een kans is om een nieuw begin te maken. En als Jezus zegt, heden is deze Schrift in uw oren vervuld, dan zegt hij niet: dat zegt Jesaja niet over zichzelf, maar over mij, maar dan zegt hij: dat wat Jesaja daar over zichzelf zegt, dat gaat ook vandaag op, want ik ben net als Jesaja gekomen om tegen jullie te zeggen, dat een nieuwe toekomst mogelijk is. En daarmee wordt ons ook een manier gewezen om de verhalen van de Schrift, uit het eerste en uit het tweede Testament, te lezen: niet als een verslag van wat er ooit vele eeuwen geleden gebeurd zou zijn, maar als een uitnodiging om ons af te vragen of die verhalen ook heden, hier en nu, voor ons betekenis hebben.

Het wordt stil in de synagoge in Nazareth, want Jezus laat het bij dit ene woord, want daarmee is alles gezegd. De aanwezigen staan perplex, en dan komen de tongen los! De reacties rollen over elkaar heen. Allen getuigden over hem; ieder zegt er het zijne van. Er is sprake van verwon­de­ring en bewondering. Dat het een woord van genade is wanneer het welkome jaar des Heren wordt aangekondigd, daarover kan nauwelijks verschil van mening bestaan. Maar er is ook het dubbele: We weten toch wie dat is. Dat is toch de zoon van Jozef? Is dat de gezalfde, is dat de bood­schapper van die genade, is dat de grote profeet? Jezus hoort ze denken en hij ziet ze twijfelen. En nog voordat ze hun twijfels kenbaar maken, formuleert Jezus ze zelf: Jullie denken natuurlijk aan dat spreek­woord, die gelijkenis: “Heelmeester, genees jezelf”. Het is een spreek­woord dat op talloze manieren gevarieerd kan worden: eerst zien en dan geloven; verbeter de wereld en begin bij jezelf. Als jij degene bent die blinden het gezicht geeft en gebrokenen weer op de been helpt, laat dat dan maar zien. Als je dat in Kapernaüm kunt, waarom dan niet hier in je eigen stad? Altijd dat gezeur over de derde wereld, alsof er in ons eigen land, alsof er in Amersfoort geen problemen zijn. De armen…, de gebroke­nen, de verworpenen der aarde, veeg eerst je eigen stoep maar eens. Laten we niet te snel oordelen over de mensen in Nazareth. Hun reactie is zo logisch en vanzelfsprekend, dat Jezus die begrijpt nog voor ze het hebben uitgesproken. Zo gaat het altijd! Voorwaar, ik zeg jullie, een profeet is niet welkom in zijn vaderstad. Ook dat is een stukje preek. Ook dat is een stukje toelichting op zijn lezing uit het boek Jesaja. Daar ging het over het welkome jaar des Heren en datzelfde woord “welkom” horen we hier terug. Ze horen bij elkaar het welkome jaar, de komst van het koninkrijk, en de profeet die gekomen is om dat welkome jaar aan te kondigen. Als de boodschap niet welkom is, dan is de profeet dat ook niet en omgekeerd. Kijk naar Elia, kijk naar Elisa, kijk naar Jesaja. Een profeet, zo hoorden we in de lezing uit Jeremia, heeft zijn boodschap, zijn pro­gramma niet voor het uitzoeken, hij komt met een opdracht, en hij gaat daarheen waar hij gezonden wordt.

Met alle respect: “psychologisch niet sterk”, zouden wij zeggen. Gaat daar nota bene ook nog eens zout in de wonden strooien. Waar de reactie in eerste instantie dubbel was – zowel bewondering als twijfel en afkeer – daar moet deze opmerking van Jezus over de profeet die niet welkom is in zijn eigen vaderstad, er wel toe leiden dat de hele gemeente zich tegen hem keert. “Een selffulfilling prophecy” wordt dat wel genoemd. Wie zelf zegt, dat een profeet niet welkom is in zijn eigen stad, kan er zeker van zijn, dat hij daarna in ieder geval niet meer welkom is. En de gevolgen zijn ernaar: zij gooien hem eruit, uit hun synagoge en uit hun stad, die ook zijn stad is. De stad, zo wordt ons tussen neus en lippen door verteld, was op een berg gebouwd. En zo kunnen ze hem letterlijk de stad uit gooien, de helling af. En het is wat je noemt een wonder dat dat ook niet echt gebeurt.

Waarom doet Jezus zo, waarom zo radicaal, waarom zo bot? Of laten we de vraag wat nauwkeuriger stellen, want het gaat er ons niet om wat er precies gebeurd is, maar om wat ons gezegd wordt: waarom vertelt Lucas het verhaal zoals hij het vertelt?

Hij kende het verhaal van Marcus, dat in alle opzichten veel minder radicaal is. Daar wordt ons verteld, dat Jezus zich verwonderde over hun ongeloof en daar maar weinig tekenen kon doen. Niets over de vinnige discussie, niets over de poging om hem om te brengen.

Bij Marcus is het een verhaal onderweg, op zijn tocht door Galilea komt Jezus als toevallig ook in zijn eigen vaderstad. Lucas heeft dat verhaal gekend en ervoor gekozen om het te gebruiken als het eerste verhaal over Jezus’ verkondiging. Het eerste verhaal zet de toon, is beslissend. Met de woorden van Jesaja laat Lucas Jezus heel precies zeggen, waarvoor hij is gekomen. En dat verhaal en dus ook Jezus, die dat verhaal, dat goede bericht komt brengen, is niet welkom. Is niet welkom in Nazareth, in zijn eigen stad. Het is het voorbeeldverhaal bij uitstek over hoe het in heel het verdere evangelie zal gaan met Jezus’ verkondiging. Het is niet welkom, het roept woede op en ze zullen proberen de brenger van dit verhaal en daarmee ook dit verhaal zelf ter dood te brengen. En hoe reageren wij daar dan op? Constateren wij dan, dat de inwoners van Nazareth, dat de Joden, zijn eigen mensen, zijn verhaal niet hebben geaccep­teerd en dat het daarom naar ons, naar de heidenen, naar de kerk is gekomen? Hebben wij de boodschap uit Jesaja dan wel begrepen; is dat verhaal bij ons wel welkom? Hebben wij gehoord, dat het evangelie er allereerst is voor de armen, voor de gevangenen, voor de blinden, voor de gebrokenen. Hebben wij de gelijkenis begrepen: “Heelmeester, genees jezelf!”. Is dat niet wat er tegen hem gezegd zal worden, wanneer hij aan het kruis hangt: “Als jij de gezalfde bent, red dan jezelf!”. Is dat ook niet wat wij stiekemweg vaak denken: dat Christus er in de eerste plaats is voor de christenen. Weet u nog waar het onder andere om ging in het geschil tussen Remon­stranten en Contra-remonstranten? Dat Arminius had geschreven dat de Here Jezus was gekomen tot heil van alle mensen. Maar dat mocht niet waar zijn, zeiden Gomarus en de Contra-remonstranten, nee hij was alleen gekomen voor het heil van diegenen die God vanaf de grondlegging van de wereld daartoe bestemd had (voor ons dus, zullen ze gedacht hebben). Is dat niet waar we als kerk in een bijna volledig geseculariseer­de samenle­ving voortdurend mee bezig zijn: onszelf redden, onze kerk in stand houden. De wereld, de armen, dat komt later wel. Het is de kerk die bedreigd wordt, die op instorten staat, dat moet nu even voorrang heb­ben. En lopen we niet het gevaar om op die manier te verliezen, wat we zo krampachtig vast willen houden? Zou dat misschien de reden zijn, dat Lucas Jezus in zijn eerste optreden, in zijn eigen vader­stad, zo radicaal laat vasthouden aan het visioen van Jesaja. Deze heel­meester is – anders dan alle andere heelmeesters – niet gekomen om zichzelf te genezen, of zichzelf te redden, maar heeft zich met heel zijn wezen, op leven en dood ingezet voor diegenen voor wie hij geroepen was. Hij heeft zich niet in laten sluiten door zijn eigen mensen, is niet het boegbeeld van hun synagoge geworden en heeft ook niet het boegbeeld van onze kerk willen worden, maar heeft steeds weer van zich af gewe­zen: op de armen, op de zondaars, op de wereld, die vol is van mensen, die zijn genezing, zijn bevrijdende evangelie nodig hebben. En wij als kerk, als gemeente, als lichaam van Christus, zouden wij er dan wel toe geroe­pen zijn om in de eerste plaats onszelf te gene­zen, onszelf te redden? Of worden ook wij gewezen op diezelfde wereld? Dat is wat ook Dietrich Bonhoeffer in zijn cel heeft bedacht toen hij kerk en christendom in het nationaal-socialisme ten onder zag gaan: De vraag is niet, hoe houden we in deze wereld de kerk overeind, hoe genezen wij onszelf, maar de vraag is, hoe kunnen we in deze geseculariseerde, ontkerstende wereld als christen leven, het visioen van Jesaja in het dagelijkse leven overeind houden, Christus niet opsluiten binnen de muren van onze kerk, maar hem laten zijn waartoe hij geroepen is, de Heer, de heelmeester van heel de wereld. Dat verhaal is nergens thuis, dat verhaal is iedereen vreemd. Dat verhaal kan alleen gehoord worden als we kijken in dezelfde richting, waarheen Jezus kijkt: met het oog op de armen, met het oog op de wereld. Amen.

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.