Preek in de Johanneskerk (Amersfoort) 13/03/2011

Preek op zondag 13 maart 2011  in de Johanneskerk.

 

 

Toralezing: Genesis 2, 15 – 3, 9

 

15        JHWH God nam de mens

en deed hem rusten in de tuin van Eden,

om die te dienen en te bewaren.

16        JHWH God gebood de mens:

Van alle geboomte van de tuin mag je eten, ja eten!

17        Maar van de boom van kennis van goed en kwaad,

daarvan mag je niet eten,

want op de dag dat je daarvan eet,

zul je sterven, ja sterven.

18        JHWH God zei:

Het is niet goed, dat de mens alleen is,

Ik zal hem een hulp maken als zijn tegenover.

19        JHWH God vormde uit de akker

al de in het wild levende dieren van het veld

en al het gevogelte van de hemel.

En hij bracht ze naar de mens

om te zien hoe hij ze zou noemen.

En zoals de mens alle levende ziel zou noemen,

dat zou hun naam zijn.

20        En de mens noemde de namen van al het vee

en van het gevogelte van de hemel

en van al de in het wild levende dieren van het veld,

maar voor de mens vond hij geen hulp als zijn tegenover.

21        JHWH God deed een diepe slaap op de mens vallen

en hij sliep.

En Hij nam een van zijn ribben weg

en op die plaats legde hij vlees.

22        JHWH God bouwde die ribbe,

die hij uit de mens had weggenomen

tot een vrouw

en hij bracht haar naar de mens.

23        En de mens zei:

Deze, eindelijk:

been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees!

Deze wordt Iesja, vrouw, genoemd,

omdat zij uit Iesj, de man, werd genomen.

24        Daarom verlaat een man zijn vader en zijn moeder

en hecht zich aan zijn vrouw

en zij worden één vlees.

25        En beiden waren zij naakt, de mens en zijn vrouw,

en zij schaamden zich niet voor elkaar

 

III

 

1          De slang nu was listiger dan alle dieren van het veld,

die JHWH God gemaakt had.

Zij zei tot de vrouw:

Zei God niet: eet niet van alle bomen van de tuin?

2          De vrouw zei tot de slang:

Van de vruchten van de bomen in de tuin mogen we eten,

3          maar van de vrucht van de boom,

die in het midden van de tuin is,

heeft God gezegd:

Eet niet daarvan en raak die niet aan,

anders moeten jullie sterven!

4          De slang zei tot de vrouw:

Sterven, sterven zullen jullie niet,

5          maar God weet, dat op de dag dat jullie daarvan eten,

jullie ogen geopend zullen worden

en jullie zullen zijn als God,

wetend van goed en kwaad.

6          De vrouw zag dat de boom goed was om van te eten

en dat hij een lust voor het oog was,

ja dat de boom ertoe verlokte om te begrijpen.

Zij nam van zijn vrucht en at

en gaf (die) ook aan de man bij haar, en hij at.

7          Toen werden de ogen van hen beiden geopend

en zij wisten… dat zij naakt waren.

Zij vlochten zich vijgenloof en maakten zich schorten.

8          Zij hoorden het geluid van JHWH God,

die in de tuin wandelde in de avondwind.

De mens verstopte zich met zijn vrouw

voor het aangezicht van JHWH God.

9          JHWH God riep de mens en zei tot hem:

Waar ben je?

 

Evangelielezing: Mattheus 4 : 1 – 11

 

1          Toen werd Jezus naar de woestijn geleid door de Geest

om beproefd te worden door de duivel.

2          En nadat hij veertig dagen en veertig nachten gevast had,

kreeg hij tenslotte honger.

3          En de beproever kwam en zei hem:

Indien u de zoon bent van God,

zeg dat deze stenen broden worden.

4          Maar hij antwoordde en zei:

Er staat geschreven:

Niet bij brood alleen zal de mens leven,

maar van alle woord, dat uitgaat door de mond van God.

5          Toen nam de duivel hem mee naar de heilige stad

en stelde hem op de vleugel van de tempel

6          en zei tot hem:

Indien u de zoon bent van God,

werp uzelf naar beneden,

want er staat geschreven:

Aan zijn engelen zal hij opdragen aangaande u,

dat zij u op handen zullen dragen,

opdat gij uw voet zelfs niet aan een steen stoot.

7          Jezus zei tot hem:

Ook staat geschreven,

Gij zult de Heer, uw God niet beproeven.

8          Weer nam de duivel hem mee naar een zeer hoge berg

en toonde hem al de koninkrijken van de wereld

en hun heerlijkheid

9          en zei tot hem:

Dit alles zal ik u geven,

indien gij neervalt en mij aanbidt.

10        Toen zei Jezus tot hem:

Ga weg, satan!

Er staat immers geschreven:

De Heer, uw God, zult gij aanbidden

en Hem alleen dienen.

11        Toen liet de duivel hem gaan

en zie: engelen kwamen en dienden hem.

 

 

Gemeente van Jezus Christus,

Er zijn niet zo heel veel verhalen in de bijbel, waarin de duivel een rol speelt. Van een soort dualisme, waarbij de wereld wordt beheerst door enerzijds een goede god en anderzijds een kwade duivel, is in de bijbel geen sprake. Dat dit toch tot het wezen van het volksgeloof is gaan behoren, heeft dan ook meer met oude heidense tradities te maken dan met de Bijbelverhalen. Sommige mensen zijn, zoals de uitdrukking zegt: voor de duvel niet bang, maar heel velen waren het wel. U kent vast het verhaal van Maarten Luther die meende hem met een inktpot te lijf te moeten gaan. Ik zal het u maar ronduit zeggen, voor mij is de duivel een verhaalfi­guur. De tijd van de metafysica en het geloof in alle mogelijke geesten en verschijningen, ik zal niet zeggen dat die voorbij is, maar ik doe er niet aan. Maar ook als je niet gelooft in een wezen, al dan niet met bokkenpoten, die de mens aanzet tot verkeer­de dingen, dan nog bestaat die verleiding even goed. In ons zelf en in de dingen om ons heen. Die verleiding, die van alle tijden en alle plaatsen is, wordt in de bijbel als een concrete figuur voorgesteld. Toen de bijbelschrijvers ergens rond de zesde eeuw voor Christus het verhaal uit het begin van het boek Genesis schreven, zagen ze hetzelfde, wat wij tot op de dag van vandaag kunnen zien. Dat de wereld onwaarschijnlijk goed in elkaar zit. Dat die wereld alles biedt wat de mensen nodig hebben om daar met elkaar in liefde en vrede te leven. En toch gebeurt het niet, toen niet en nu niet. Hoe moest je dat nu begrijpen. Ergens, zo zullen ze tegen elkaar gezegd hebben, moet er na het goede begin iets verkeerds zijn gegaan. En zo ontstond het paradijs­verhaal, een mythologisch verhaal, want hoe je het ook wendt of keert, hoe het was toen de eerste mensen op aarde leefden, daarover weten we niets. Waarom ging het mis en wat ging er mis? Als de mens heer is over de schepping, als God hem alle mogelijkhe­den heeft geboden om goed en gelukkig te leven, hoe komt het dan dat het toch steeds weer mis gaat? En het antwoord dat het verhaal uit Genesis 2 en 3 daarop wil geven is: omdat hij het heilzame gebod van God niet in acht neemt. Niet omdat hij van nature slecht is, maar omdat hij steeds meer wil zijn dan hij is, om dat hij autonoom wil zijn, zich aan God noch gebod wil storen, ja, omdat hij ten diepste als God zelf wil zijn. Het verhaal in Genesis 3 tekent een keten van gebeurtenissen: eerst is er de slang, dan is er de vrouw en tenslotte is er de man, Adam, de mens. Maar als God ter verantwoording roept, roept hij niet de slang en niet de vrouw, maar roept hij de mens tot verantwoor­ding: Adam, waar zijt gij! Hij kan zich niet schuilhouden in het gebladerte. Hij kan zich niet verschuilen achter zijn vrouw, want die is been van zijn been, vlees van zijn vlees, geheel zoals hij. En hij kan zich ook niet ver­schuilen achter de slang. Hij had beter moeten weten. Het verhaal van de verleider is niet in overeen­stemming met dat wat de Heer God hem gebo­den had. Maar het verhaal van de slang sluit wel aan bij zijn diepste ver­langens: Als God zijn, ken­nende goed en kwaad. Nu is dat een ingewikkel­de tekst, want voor ons gevoel behoort dat toch juist tot het wezen van de verantwoordelijke en mondige mens, dat hij kennis heeft van goed en kwaad, dat hij een ethisch wezen is, dat zelf afwegingen moet maken, wat hij wel en wat hij niet doet. Maar in het Genesisverhaal, wordt op een andere manier over kennen gesproken. Alles wat de Here God gescha­pen heeft, vertelt het verhaal, is goed, geschikt voor het goede leven op de aarde. Alles wat kwaad is, daar heeft God een dam tegen opgeworpen, het grote uitspan­sel dat als een beschermende boog over de aarde ge­spannen is, om de oermachten van de chaos buiten te houden. Dat kwaad wil je niet kennen, want als je het kent, dan overspoelt het je. Juist omdat God dat kwaad kent, heeft hij de mens daartegen afgeschermd. Dat is natuurlijk figuurlijk gesproken. Dat uitspansel is het beeld voor Gods goede zorg. Maar als dat figuurlijk is, hoe beschermt God de mens dan echt? De rabbijnen noemen de tora een omheining! Het is het gebod Gods, dat voor de mens een bescherming is. De wet, dat is niet: dit mag niet en dat mag niet, maar: doe dit niet, want dan gaat het mis en doe dit wel, want dan zul je leven. Het gebod ten aanzien van die ene boom in de tuin, is een voorafspiege­ling van die tora: Van die boom moet je niet eten, want als je daarvan eet, dan zul je sterven. Niet: als je van die boom eet, dan zal ik je voor straf doden, maar: als je van die boom eet, die boom van de kennis van goed en kwaad, dan zul je daaraan ten gronde gaan. Het gebod is bedoeld ten leven, maar wordt in de mond van de slang het voorschrift van een kwade God, die de mens het goede, het hoogste wil onthouden. De God die de slang ons voorhoudt is de God van het heidendom en helaas ook de God, die door de eeuwen heen door veel christenen is aanbeden: de almachtige God die het alleen te doen is om zijn eigen glorie en de mens doet beseffen dat hij klein is, en altijd klein zal blijven.

Dat moet je allemaal in je achterhoofd houden als je het verhaal over de verzoeking in de woestijn leest. Het verhaal volgt onmiddellijk op het verhaal over Jezus’ doop in de Jordaan. Daar is vanuit de hemel gezegd: deze is het, mijn geliefde zoon, in wie ik mijn welbehagen heb. En direct daarop wordt hij door de geest naar de woestijn gevoerd om daar verzocht te worden door de duivel. Veertig dagen en veertig nachten heeft Jezus gevast, het herinnert aan het volk Israël, dat veertig jaar in de woestijn heeft doorgebracht, maar meer nog herinnert het aan Mozes, die de berg opgegaan is om de tora te ontvangen en dan veertig dagen niet eet en niet drinkt. Hier gaat het opnieuw over de tora, hier is Mozes opnieuw, die straks de berg op zal gaan, om in zijn grote Bergrede een verrassende en radicale interpretatie van die tora te laten horen. Hij is de geliefde zoon. Dat wil niet perse zeggen, dat hij God zelf is, maar vooral dat hij de ware mens is, de mens zoals door God be­doeld en als zodanig zijn geliefde zoon. Zoon van God en Zoon des men­sen zijn synoniemen, de ware mensenzoon is waarlijk Gods zoon. Daarom zal hij vooral Gods Zoon zijn als hij werkelijk mens blijft, niet naar het godde­lijke grijpt. Het zoon van God zijn is, hoe raar het ook klinkt, zijn achilles­hiel. Zoals de mens in de tuin bezweek voor de gedachte als God te kun­nen zijn, zo ligt het hier bijna voor de hand, want hij is als God. En op die zwakke plek wordt hij door de duivel aangesproken: Als jij de zoon van God bent….. twee keer horen we diezelfde zin: als jij de Zoon van God bent. Ja wat dan, kun je je dan ontworstelen aan de wetten van het men­selijk bestaan, ben je dan onkwetsbaar, onaantastbaar, almachtig, maar ook onbereikbaar voor gewone mensen. Als hij van stenen brood maakt, dan geeft hij zijn mensen stenen voor brood, dan verheft hij zich boven hen. In zijn ant­woord, formuleert Jezus zijn trouw aan de tora: Er staat geschreven: niet bij brood alleen zal de mens leven, maar bij alle woord, dat uitgaat door de mond van God. De mensenzoon leeft bij het woord van God, bij zijn gebod, hij heeft het op zijn voorhoofd gebonden, hij overdenkt het bij dag en bij nacht. Dan neemt de duivel hem mee naar de heilige stad. U begrijpt: het gaat hier om een geestelijke reis. Hij staat op de vleugel van de tempel. Als jij de zoon van God bent. Wat is dat, zoon van God zijn. In Psalm 91, de psalm van deze zondag, staat dat God tegen zijn geliefde zoon zei, dat hij zijn engelen opdracht zou geven hem op handen te dragen, zodat hij zijn voet aan geen steen zou stoten. De duivel spreekt als de slang in het Genesis-verhaal: hij citeert uit de bijbel, maar geeft er tegelijk een draai aan. Dan kun je toch ook wel naar beneden springen als je door de engelen opgevangen wordt. Opnieuw antwoordt Jezus met een woord uit de tora: Er staat ook geschre­ven, gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen. De duivel is funda­mentalist: het staat er toch, dan is het toch waar. Maar er staat heel veel in de bijbel en wie daarbij wil leven, zal zich telkens af moeten vragen, welk woord hier van toepassing is en hoe dat hier begre­pen moet worden. Tenslotte gaat de reis verder naar een hoge berg, zo hoog dat je de hele wereld kunt overzien. Aanbidt mij en dat alles zal ik je geven. Geen verwijzing naar het zoonschap van God, ook geen verwijzing naar een bijbeltekst, maar de ultieme verleiding: Je zult over alles heersen, bedenk eens wat voor goeds je er allemaal mee kunt doen. Maar buigen is onderwerpen, de macht die je zo verkrijgt – en er wordt in de wereld oneindig veel macht verkregen door te buigen voor de verleider – is geleende macht, is macht bij de gratie van het kwaad. Juist door hier niet te bezwijken, zal aan het eind van het Mattheus-evangelie gezegd kunnen worden: mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Zoals de arme, de zwakke, degene die hongert en dorst naar gerechtig­heid, zalig wordt gesproken, zo moeten wij leren, dat alleen diegene wer­kelijk alle macht toekomt, die niet naar die macht heeft gegrepen. Zo is hij Zoon van God, door mens te blijven door juist geen gebruik te maken van het feit dat hij Zoon van God is. Zo is hij niet de almachtige God, die doet wat wij allemaal niet kunnen, maar zo is hij in alles mens gebleken, een mens naar Gods hart, de zoon van zijn welbeha­gen. Zo is hij de nieu­we Adam. Een mens te zijn op aarde in deze wereld­tijd, is leven van gena­de buiten de eeuwigheid. Het lied dat we straks zingen is beter dan ik het ooit kan doen, een schitterende uitleg van dit verhaal over de verzoeking in de woestijn. Ieder mens staat bloot aan verleidingen. En we zien het pijnlijk in de gebeurtenissen in Lybië, hoe groter de macht, hoe groter de verleiding. Hitler beweerde te pas en te onpas dat hij het werk des Heren uitvoerde. Twijfel, beste mensen, aan een ieder die zich op een goddelijke opdracht beroept. De werkelijk charismatische leider is diegene die zich niet op zijn charisma voor laat staan, maar zich onderwerpt aan de toetsing van het volk. De werkelijke machthebber is diegene die weet afstand te doen van zijn macht. Of – en ik zeg het met veel slagen om de arm, want ik houd niet erg van vrome uitspraken – de heer van deze wereld regeert vanaf het kruis. Misschien kan dat onze leidraad zijn voor de komende veertigdagen-tijd, een nadenken over macht en onmacht, ook met het oog op de gebeurtenissen in Noord-Afrika. Het kon immers niet, vrijheid, democratie en islam verdroegen elkaar toch niet en zie wat er gebeurt, een in beginsel geweldloze revolutie wint het in Tunesië en Egypte en zal – daarvan ben ik overtuigd – het ook in Libië winnen. Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want van hun is het koninkrijk. Dat wil niet zeggen, dat ze daarvoor na hun dood beloond zullen worden, maar dat in hun optreden iets duidelijk wordt, van wat dat andere koninkrijk, die macht van de zachte krachten is. De duivel bestaat niet, laten we er dan juist voor zorgen, dat hij ons niet in zijn greep krijgt! Zo moge het zijn, Amen.

 

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.