Preek in RCN “Het Grote Bos” 27/03/2011

Preek op zondag 27 maart 2011 in het Grote bos

 

Eerste lezing Exodus 17, 1 – 7 (NBG)

 

Vertaling Johannes 4, 5 – 26 (vert. Amstelpreekteam)

 

5          Hij dan komt in een stad van Samaria, Sichar genaamd,

dichtbij het stuk land,

dat Jakob gegeven had aan Jozef, zijn zoon.

6          Daar was de bron van Jakob.

Jezus dan, vermoeid geworden door de tocht,

ging zo bij de bron zitten.

Het was ongeveer het zesde uur.

7          Er komt een vrouw uit Samaria om water te schep­pen;

Jezus zegt haar:

“Geef mij te drinken.”

8          – Want de leerlingen waren weggegaan naar de stad

om voedsel te kopen. –

9          Dan zegt de Samaritaanse vrouw hem:

“Hoe komt het dat gij, die een Judeeër bent,

van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vraagt?”

– want Judeeërs gaan niet om met Samaritanen –

10        Jezus antwoordde haar en zei:

Als jij wist van de gave van God

en wie het is, die tegen je zegt

‘geef mij te drinken’

zou jij het hèm gevraagd hebben

en hij zou jou levend water gegeven hebben.

11        Zegt de vrouw hem:

“Heer, gij hebt geen schepemmer en de put is diep,

vanwaar dan hebt gij het levende water?

12        Gij zijt toch niet groter dan onze vader Jakob,

die ons de put gegeven heeft

en er zelf uit gedronken heeft

met zijn zonen en zijn kuddedieren?”

13        Jezus antwoordde en zei tot haar:

“Ieder die drinkt van dit water, zal weer dorst hebben,

14        maar wie gedronken heeft van het water,

dat ik hem zal ge­ven,

zal zeker geen dorst meer hebben tot in eeuwigheid,

maar het water dat ik hem geven zal,

zal in hem worden een bron van water

dat ontspringt tot het eeuwige leven.

15        Zegt de vrouw hem:

“Heer, geef mij dat water, opdat ik geen dorst zal hebben

en niet hierheen hoef te komen om te scheppen.”

16        Hij zegt haar:

“Ga heen, roep je man en kom hierheen!”

17        De vrouw antwoordde en zei hem:

“Ik heb geen man.”

Jezus zegt haar:

“Je hebt het goed gezegd:

‘ik heb geen man’,

18        want vijf mannen heb je gehad

en die je nu hebt, is jouw man niet;

dit heb je naar waarheid gezegd.

19        De vrouw zegt hem:

“Heer ik zie, dat gij een profeet zijt.

20        Onze vaderen aanbaden op deze berg

en jullie zeggen:

In Jeruzalem is de plaats waar men moet aanbidden.”

21        Jezus zegt tot haar:

“Vertrouw mij, vrouw,

want er komt een uur,

dat jullie noch op deze berg,

noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.

22        Jullie aanbidden dat wat jullie niet weten,

wij aanbidden dat wat wij weten,

want de bevrijding is uit de Judeeërs.

23        Maar er komt een uur – en nu is het er –

dat de waarachtige aanbidders

de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid,

want de Vader zoekt degenen, die hem zo aanbidden.

24        Geest is God en die hem aanbidden,

moeten in geest en waarheid aanbidden”.

25        Zegt hem de vrouw:

“Ik weet dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt;

wanneer die komt, zal hij ons alles boodschappen.”

26        Jezus zegt haar:

“Ik ben het, die met jou spreekt.”

 

Lieve gemeente,

 

Het evangelie van Johannes, waaruit we vanmorgen lazen, wordt volgens Maria de Groot in haar prachtige boek “Messiaan­se ikonen” gestructureerd door een aantal “Ik ben-woorden”. Ik ben het brood des levens, ik ben het licht der wereld, ik ben de poort, ik ben de goede her­der, ik ben de opstanding en het leven; ik ben de weg, de waarheid en het leven; ik ben de ware wijnstok. En juist door deze structuur ontstaat heel ge­makkelijk de neiging, om die ook in te lezen op plaatsen, waar die niet aan de orde is. Een treffend voorbeeld daarvan vinden we in het verhaal over de ont­moeting van Jezus met de Samari­taanse vrouw, waar het gaat over het leven­de water, dat Jezus haar zou geven. Dat wordt dan in het licht van al die ver­halen over de Ik ben-woorden van Jezus, heel gemakkelijk begrepen alsof er zou staan dat Jezus zegt: “Ik ben het levende water, wie van mij drinkt zal nooit meer dorsten tot in eeuwigheid”. Dat staat er niet en ik hoop dat het me lukt om vanmorgen duidelijk te maken, dat het ook niet zo gelezen moet wor­den. Het verhaal speelt zich af in het Samaritaanse land. Jezus trekt van Jude­a naar Galilea en hij doet dat heel bewust niet via een voor Judeeërs niet onge­bruikelijke omweg door het Overjordaanse, want Johannes wil juist duidelijk maken, dat Jezus de tegenstelling tussen Judeeërs enerzijds en Samaritanen en Galileeërs anderzijds overwint. Om dit verhaal goed te kunnen begrijpen, moet ik heel in het kort iets uitleggen over de Samarita­nen. De naam Samari­tanen komt van de hoofdstad Sa­maria van het vroegere tienstammenrijk, dat in 722 voor Christus, als hun hoofdstad door de Assyriërs wordt ingenomen en een groot deel van de bevol­king in ballingschap wordt weggevoerd, op­houdt te bestaan. De rest-bevolking vermengt zich met gedeporteerden uit andere landen die de Assyriërs daarnaartoe hadden gebracht. De Samaritanen beschouwen zichzelf als gelovend in dezelfde God als de Judeeërs. Zij houden zich aan de tora, de vijf boeken van Mozes, maar ze erkennen de profetische geschriften niet. Im­mers de profetische verhalen staan vol met verwijzingen naar het koningschap van David en Jeruzalem als de stad van God. Zij aanbid­den God op de Geri­zim. Zoals vaak, is de vijandschap tussen verwante gods­dienstige opvattingen nog groter dan die tussen totaal verschillende godsdien­stige opvattingen. Strenge Judeeërs gingen niet met Samaritanen om en reisden bij voorkeur met een omweg om hun gebied heen. Jezus niet, hij zoekt be­wust het gesprek met de Samaritaanse vrouw, die op zijn weg komt en er ontspint zich een spannend theologisch gesprek, dat een beetje lijkt op het nachtelijke gesprek, dat hij in het voorafgaande hoofd­stuk met Nicodemus voerde. U zult begrij­pen, dit kan niet een nachtelijk gesprek zijn, dit is het te­genbeeld van dat an­dere gesprek. Het vindt plaats op het zesde uur en dat moet u rekenen vanaf het begin van de dag, dus wij zouden zeggen, om twaalf uur in de middag, midden op de dag, zoals dat andere gesprek midden in de nacht. Een gesprek in alle openheid, want Jezus schaamt zich niet met deze vrouw te spreken. De opening is verrassend en ingegeven door de dorst: Geef mij te drinken! De vrouw reageert niet door water voor hem te putten, maar stelt gelijk een cru­ciale vraag: hoe kun jij, als Judeeër, mij die een Sama­ritaanse is, te drinken vragen. Hoe dat was met het water van de Judeeërs, daarover weten we na­tuurlijk al iets uit Johannes’ verhaal over de bruiloft in Kana, waar het water, dat er stond voor de reiniging van de Judeeërs werd uitgegoten als wijn voor de bruiloftsgasten in Galilea. Ik vertaal, zoals u merkt, “Judeeërs” en niet Joden, want anders zou de betekenis verloren gaan, omdat immers ook de Galileeërs en de Sama­ritanen als Joden worden aangeduid. Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt ‘geef mij te drin­ken’, gij zoudt het hem gevraagd hebben en hij zou u levend water hebben gegeven. Dit is de kernzin van het gedeelte en roept een aantal vragen op, want wij weten niet veel meer dan de Sama­ritaanse vrouw: wat wordt er bedoeld met de gave Gods en wat wordt er be­doeld met levend water? De uitdrukking Gave Gods komt in het Johan­nes-evangelie maar één keer voor, alleen hier. We vinden het wel in het boek Han­delingen en daar gaat het om de Heilige Geest. Het kan ook verwijzen naar het Oude Testament en dan moeten we aannemen, dat het op de tora slaat. Wat er bedoeld wordt met levend water, daarbij helpt het verhaal uit Exodus dat we met elkaar hebben gelezen. Ja, zult u zeggen: maar daar gaat het toch over gewoon water, het volk loopt door de woestijn, heeft dorst en moppert omdat het niets te drinken heeft. Op aanwijzing van de Heer, slaat Mozes op de rots en geeft het volk te drinken. Maar die gebeur­tenis wordt in een ander licht gezet, door de slotopmerking, dat Mozes die plaats Massa en Meriba noemt omdat het volk God op de proef heeft gesteld, door te vragen is God in ons midden of niet! Het water is dus gewoon water, maar ook het bewijs van Gods aanwezigheid. En hoe is God dan in de woestijn bij zijn volk aanwezig, is dat niet door de aanwij­zingen uit zijn geboden, die hij aan Mozes bekend heeft gemaakt. En is de tora dan niet het levende water, waar­door het volk het veertig jaar volhoudt in die dorre droge woestijn? De Samari­taanse vrouw snapt de toespeling niet, of wil die niet verstaan. Net als Nico­demus, die toen Jezus sprak over opnieuw geboren worden, zei: hoe kan een mens opnieuw de moederschoot ingaan en opnieuw geboren worden; hij neemt een uitspraak letterlijk, die symbolisch bedoeld is. Heel vaak oorzaak voor merkwaardige misverstanden. Zo ook de vrouw: de put is diep en je hebt geen emmer, waar wil je dat leven­de water vandaan halen. Onze vader Jakob, die heeft zelf uit deze put gedron­ken en voor hem was het gewoon water, ben jij soms meer. Maar Jezus had het niet over het water uit de put. Zoals het water uit de rots voor meer staat dan water, geldt dat ook voor het water uit de put. Wie drinkt van het water dat ik hem zal geven, zal nooit meer dorsten. Ik zei aan het begin: dat Jezus niet zegt ‘Ik ben het levende water’, maar spreekt over het water, dat hij zal geven. Natuur­lijk is er een verband tussen de gave en de gever en het stoort me ook niet, dat we na de evangelielezing – ik heb het bewust gekozen – hebben gezongen: ‘Gij zijt het water ons ten leven’, maar ik wil niet meedoen aan de bekende val­kuil, die van het Johannes-evangelie een anti-joods evangelie maakt. Het wa­ter dat Jezus uit­schenkt, is het reinigings­water van de Judeeërs, is het le­ven­de water uit de rots, is de tora, waarvan in de psalmen wordt gezegd dat het een bron van helder water is, maar hij schenkt het opnieuw en hij schenkt het ook aan Gali­leeërs en Samaritanen, hij schenkt het ook aan u en mij, en daar­om heeft deze vernieuwde tora ook met Jezus als de gever te maken, zoals de tora altijd de tora van Mozes genoemd zal worden, maar het is dezelfde onder­wijzing ten leven, geen nieuwe godsdienst, geen andere wet, maar dezelfde wet, die van de liefde tot God en de naaste, opnieuw. Heer, geef mij dit wa­ter, opdat ik nooit meer hierheen hoef te komen. Het lijkt alsof de vrouw vol­hardt in haar letterlijk verstaan en daarom gaat ook Jezus nu over van zijn symboli­sche spreken naar een directe aanspraak. Ga heen, roep je man. Als het jou om dit letterlijke water gaat, dan geldt ook dat het niet beta­melijk is een vrouw iets te geven buiten de aanwezigheid van haar man. Ik heb geen man. Inderdaad je hebt vijf mannen gehad en die je nu hebt is je man niet. Wordt de vrouw hier terecht gewezen voor een weinig moreel hoogstaande levens­wandel. Het zou kunnen zijn. Maar liever wil ik ook dit woord symbo­lisch, of tenminste ook symbolisch begrijpen. Weet u nog van de vijf broden en de twee vissen, de vijf boeken van Mozes, de profeten en de geschriften? De Samaritanen hou­den zich alleen aan de tora, aan de vijf boeken van Mo­zes, maar daardoor heb­ben zij zich losge­maakt van de verbondenheid met de tempel en de onderwij­zing in de synagoge en dus hebben ze nu in zekere zin niets meer. In Jezus wordt niet alleen die breuk hersteld, maar krijgen ze ook de toegang tot de tora terug. Zou de vrouw toch iets van de dubbele bodem hebben begrepen? Het lijkt er wel op, want haar volgende vraag is to the point. Onze vade­ren hebben op deze berg (be­doeld is de Gerizim) aanbeden, maar jullie zeggen, dat Jeruzalem de plaats is om te aanbidden. Jezus gaat niet in op het geschil uit het verleden, maar mikt op de gezamenlijke toe­komst: er komt een uur dat noch hier noch in Jeruzalem aanbeden wordt. Ja, eigenlijk is het uur er al. Als Johannes dit schrijft is er geen Jeruzalem meer en is heel het vroegere Israël een Romeinse provincie. Natuurlijk, geen misver­stand: de tora komt ergens vandaan, de bevrijding komt ergens vandaan, we moeten niet doen alsof alles uit de hemel is komen vallen. Het heil is uit de joden, letterlijk: de bevrijding is uit de Judeeërs. Het heeft een plaats, we kun­nen niet om Israël heen, niet om het bijbelse Israël, maar ook niet om de con­crete staat Israël, daar ligt de wor­tel van ons geloof (wat natuurlijk niet wil zeggen, dat we geen kritiek mogen – ja misschien wel moeten – hebben op de politiek van de huidige staat Israël), het heil is uit de joden en de Samaritaanse spreekt Jezus terecht aan als een Joodse man. Maar, zo hoorden we in het gesprek met Ni­codemus, tenzij iemand geboren is uit water en geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan: het water is het le­vende water van de tora en de geest, is de geest van God, die mensen ver­nieuwt en inspireert tot ware zus­ter- en broederschap. God is geest. God is niet grijpbaar, niet gebonden aan deze of gene plaats. De geest waait waar­heen hij wil. En als de Messias komt, dat weet ook de Samaritaanse, dat we­ten ook wij, zal hij dit alles uitleggen. En hij is er. Ik ben het, die met u spreekt, zegt Jezus. Aanbidden in geest en waarheid, dat is voor ons, die niet uit de joden zijn, aanbidden in de Naam van Jezus Christus, want in hem is de toegang tot het levende water ook voor ons ontsloten, maar dat heil, dat le­vende water, is uit de joden. Daar ligt de bron. Als we dat vergeten, wordt heel het evangelie een slag in de lucht, dan heeft het geen voeten meer op de aarde. De geest waait waarheen ze wil, maar ze komt ergens vandaan. Hier ligt haar startpunt: God is geest. De geest die aan het begin van Genesis 1 zweefde over de wateren, die scheppende Geest, het be­gin van alles, die Geest spreekt tot mensen, spreekt mensen aan en zet ze in beweging. Het is de Geest van God, die op Jezus neerdaalde als een duif, het is de geest, die ons herinnert aan alles wat Jezus heeft gedaan en gezegd. Die geest is God, die geest moge ons blijven bemoedigen en inspireren. Nu en alle dagen en tot in de eeuw die komt. Amen.

 

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.