Preek in het Gast-huis 03/04/2011

Lezing uit de Tazria (Lev. 12-13): Leviticus 13 : 1 – 28

Lezing uit de Haftara: 2 Koningen 5 : 1 – 19

Evangelielezing: Lucas 4 : 23 – 27

(alle lezingen uit de Naardense Bijbel)

 

Beste mensen,

 

Het is even slikken, vooral voor de mensen die vanmorgen ter kerke zijn gegaan en daar hebben gehoord dat het zondag Laetare is, zondag “verblijdt u”, door Willem Barnard ook wel aangeduid als “Klein Pasen”. Na al die feestelijkheid nu een themadienst over alle mogelijke huidaandoeningen, die in het dertiende hoofdstuk van het boek Leviticus worden samengebracht onder de term tsara’a. In de regel wordt deze term met melaatsheid vertaald, maar Piet Oussoren spreekt van de Egyptische ziekte. Overigens heeft hij het in het geval van Naäman wel over melaatsheid, terwijl daar toch echt hetzelfde woord tsara’a wordt gebruikt. Met de vraag naar de vertaling zitten we eigenlijk al gelijk middenin de discussie over de uitleg van dit hoofdstuk, kortom de beantwoording van de vraag: waar gaat het hier eigenlijk over?

De term tsara’a komt in de Schrift helemaal niet zo vaak voor. In het dertiende en veertiende hoofdstuk van Leviticus komen we ruim tweederde van alle plaatsen tegen. Buiten Leviticus, komen we het tegen in Exodus als de hand van Mozes tsara’a wordt, wanneer hij deze in opdracht van Adonai in zijn boezem steekt. In Numeri waar verteld wordt dat Mirjam tsara’a  wordt, nadat ze het leiderschap van Mozes in twijfel heeft getrokken. In het tweede koningenboek in het verhaal over Naäman dat we hebben gelezen. In het erop volgende perikoopje wordt verteld dat de kwaal van Naäman over is gegaan op Gehazi, die zo nodig nog wel een geschenk van Naäman moest halen. En tenslotte in het boek Kronieken, waar verteld wordt over de ziekte van koning Uzzia. Wat is tsara’a en hoe moet ermee om worden gegaan? In de Naardense bijbel wordt gesproken van de Egyptische ziekte. Dick Monshouwer kende deze vertaling van Oussoren al – Piet heeft een dertigtal jaren gewerkt aan zijn in 2004 verschenen Bijbelvertaling en vele gedeeltes waren dan ook al voor deze verschijning in omloop – en probeert die uit te leggen in zijn boekje over Leviticus uit 1982.  De uitdrukking tsara’a is afgeleid van het werkwoord tsarar, dat “verdrukken”, “benauwen” betekent. Van datzelfde werkwoord is ook de hebreeuwse naam voor Egypte afgeleid: Mitsrajim, land van benauwenis, angstland. Daarom dus: Egyptische ziekte. Het gaat om een verlangen naar de vleespotten van Egypte, de angst om het erop te wagen. Als Mozes twijfelt aan de opdracht van Adonai, want wie zal hem nou geloven, als hij zegt, dat de Ene tot hem heeft gesproken, krijgt hij eerst de opdracht om zijn staf op de grond te gooien, en zie het wordt een slang. Dan moet hij de slang met zijn hand weer oppakken, en zie het is weer een staf. Wat een machtige hand heb ik, zou Mozes kunnen denken, maar dan zegt de Ene hem: steek je hand in je boezem, haal hem weer terug en zie: melaats, wit als sneeuw. Tsara’a is dus angstziekte, zou je kunnen zeggen, ongeloof in de goede afloop. Ik zeg niet dat deze uitleg verkeerd is, maar ik denk wel dat dit niet het enige is, dat over tsara’a gezegd moet worden. Het zou er namelijk al te gemakkelijk toe leiden, dat we gaan veronderstellen dat het een ziekte is, die enkel tussen de oren zit, maar wat is dan het belang van rein of onrein verklaren? In het hele hoofdstuk 13, het bevat 59 verzen, waarvan wij maar 28 gelezen hebben, gaat het om zeven verschillende aandoeningen van de huid. Het is niet doenlijk om te komen tot een diagnostiek over de eeuwen heen en vast te stellen om welke vormen van ziekte het allemaal gaat. Maar u kunt er zelf misschien wel een paar bedenken. Er wordt iets omschreven, dat heel erg lijkt op schurft, die met name rond het baardhaar zit, je zou ook aan iets als psoriasis kunnen denken en wellicht gaat het in sommige gevallen wel om iets wat mogelijk kan samenhangen met melaatsheid, de Septuagint heeft tenslotte niet zomaar gekozen voor lepra als vertaling. Het zou ook om bepaalde geslachtsziektes kunnen gaan. Ik zeg dat niet zomaar, want de hoofdstukken dertien en veertien waarin het over tsara’a gaat, worden omsloten door enerzijds 11 en 12 en anderzijds 15, waarin het gaat over kwesties rond rein en onrein in het licht van seksualiteit en geboorte. Het gaat om een enge ziekte, iets waar iedereen bang voor is, omdat het èn uiterlijk zichtbaar is èn klaarblijkelijk besmettelijk. Maar het zou ook zomaar kunnen zijn – en dat heeft natuurlijk ook alles met Egypte te maken – dat de angst voor de ziekte even erg is als de ziekte zelf. Huisartsen worden voortdurend aangesproken door mensen, die een vreemde vlek op hun huid hebben waargenomen, of die zich opeens heel anders voelen dan gisteren of eergisteren. Dokter is het k,.? , luidt dan de bange vraag..  en de dokter onderzoekt. En goddank in de meeste gevallen kan de dokter vaststellen, dat het of niets is, of iets dat veel minder gevaarlijk is. En opgelucht gaat de patiënt weer naar huis en voelt zich al onmiddellijk een heel stuk beter. Maar natuurlijk er worden ook patiënten doorgestuurd over wie vervolgens het bericht komt: de uitslag was niet goed, u moet wellicht met het ergste rekening houden.  Door dat deze tsara’a ten onrechte wordt vereenzelvigd met melaatsheid, valt de nadruk heel erg op de onreinheid en u kent wellicht de pakkende beelden uit de film Ben Hur, één van de eerste grote speelfilms die ik als jongetje zag, van de met melaatsheid besmette moeder en zuster van Ben Hur. De sfeer van uitsluiting, de ratels, het onrein, onrein… Maar als we het hele hoofdstuk zorgvuldig lezen, maar zelfs al, wanneer we er zoals vanmiddag een gedeelte van lezen, dan kunnen we al snel vaststellen, dat het oordeel van de priester even vaak positief (rein!) is als negatief. Omdat iedereen er bang voor is en omdat het besmettelijk is, dreigt iemand vaak maar al te snel verdacht te kunnen worden van deze ziekte. Gelukkig is er dan de priester, die de aandoeningen op de huid bekijkt en vaststelt: nee, dit gaat niet echt erg diep, dit is maar oppervlakkig, dit is geen tsara’a, dit is niet waar u bang voor bent. Maar zelfs als het oordeel anders uitvalt, dan nog wordt iemand niet snel afgeschreven, niet snel buiten de gemeenschap geplaatst. Eerst voor zeven dagen en dan moet hij of zij zich opnieuw laten zien, om te kijken of het verergerd is en zo nodig nog een periode van zeven dagen. En daarna, als het toch helemaal mis is, als uiteindelijk iemands hele huid is aangetast, dan zo zouden we denken, dan wordt iemand natuurlijk definitief buiten de gemeenschap geplaatst, dan is iemand werkelijk helemaal onrein. Maar dan – opperste verrassing – als iemand helemaal aangetast is, dan zal de priester hem rein verklaren. Er staat geen reden bij. Is het besmettingsgevaar geweken wanneer de ziekte uitgeraasd is? We weten het niet. Of is zo iemand ten dode opgeschreven en wordt er daarom clement met hem omgegaan? Opnieuw, we weten het niet, maar niemand wordt er definitief uitgezet.  In Numeri 12 wordt het verhaal verteld van Mirjam, die zich neerbuigend heeft uitgelaten over haar broer Mozes. Mozes was de meest zachtmoedige onder de mensen, maar Adonai – zo vertelt het verhaal – pikt het niet en hij straft Mirjam met de Egyptische ziekte. Mozes bidt voor de genezing van zijn zuster, maar eerst moet zij, volgens het voorschrift uit Leviticus, zeven dagen buiten het legerkamp doorbrengen. Maar – zo wordt dan ontroerend mooi verteld – het volk brak zeven dagen niet op, totdat Mirjam zich weer bij hen kon voegen. Waar één lid lijdt, daar lijdt het hele lichaam. Het uitbreken van de Egyptische ziekte betekent een bezoeking voor de hele gemeenschap. Piet Oussoren vertaalt nega tsara’at, steeds als: een aandoening van de Egyptische ziekte. In de Statenvertaling lezen we steeds: de plaag der melaatsheid. Nu is inmiddels duidelijk dat die vertaling “melaatsheid” onjuist is, al valt dat de Statenvertalers nauwelijks te verwijten, omdat ze niet beter wisten en melaatsheid toen nog als een dodelijke, enge ziekte gold. Maar dat ze nèga met plaag vertaalden, daarin hadden ze gelijk. Ze hebben het woord herkend uit Exodus 11, waar Adonai aan Mozes laat weten, dat hij nog één plaag over de farao en Egypte zal brengen. Als er Egyptische ziekte uitbreekt, als een plaag zoals die door Adonai over Egypte werd gebracht, over het eigen volk komt, dan is er iets grondig mis. Dan is heel het volk in crisis, hoe komt het toch, mijn God, wat hebben we misdaan? Dat mag niet afgewenteld worden op dat ene slachtoffer. Hij wordt tijdelijk in quarantaine gezet om besmetting te voorkomen, maar hij wordt niet aan zijn lot overgelaten. De priester blijft in contact en kijkt steeds opnieuw naar zijn wonden. Als de ziekte van het angstland benaderd zou worden met de paniek van het angstland, dan is alles verloren, dan hadden ze net zo goed niet uit Egypte bevrijd kunnen worden. De zieke mag niet aan zijn of haar lot over worden gelaten, alleen zo kan de ziekte uiteindelijk overwonnen worden. Nadat Israël uit Egypte is gehaald duurt het nog veertig jaren om Egypte uit de Israëlieten te halen. De Egyptische ziekte is een symptoom daarvan. Het is een “scary disease”, een enge ziekte, en omdat het zo eng is, tast het de gemeenschap aan, zet die onder druk. Blijven ze een volk van priesters, begaan ook met het lot van de zieken, of geven ze de solidariteit op, laten ze de zieke aan zijn lot over? Iemand die in ons land ongeneeslijk ziek is, zo blijkt uit onderzoek, raakt in de laatste fase van zijn of haar leven een behoorlijk deel van zijn of haar vrienden kwijt. Ze brengen het niet op, om langs te gaan. “Ze kunnen er niet tegen”, zoals mensen mij zo vaak als uitleg gaven als ik ze op hun verantwoordelijkheid  aan moest spreken.

De profetische reactie op deze verhalen lezen we in 2 Koningen. Naäman is melaats? Ik denk, dat je hier beter ook zou kunnen vertalen, dat hij aan de Egyptische ziekte lijdt. Want iemand die melaats is en “gewoon” functioneert als legeraanvoerder aan het hof van de koning, dat lijkt me slecht voorstelbaar. Nee, Naäman heeft, zorgvuldig verborgen onder zijn uniform, een of andere huidaandoening, die hem in heel zijn wezen aantast. Hij weet niet hoe hij het heeft, stel dat het erger wordt, dat straks iedereen het ziet, zal dat zijn einde zijn? De grote oorlogsheld is als een kleine jongen. Maar in het huis van Naäman is een klein meisje, die kennelijk thuis is in de schriften van Israël en weet: voor deze ziekte moet je in Israël wezen, zij hebben hier weet van. Je moet de Jordaan door, tot zeven keer toe, dat wil zeggen, je moet de definitieve en ultieme tocht door de Jordaan maken, om thuis te komen bij de God van Israël. Zo wordt je genezen van de Egyptische ziekte. Dat hij vervolgens de God van Israël als de enig ware belijdt, dat is niet een bijkomend verschijnsel, maar dat is de kern van zijn genezing. Wil dat zeggen, dat wie in de ware God gelooft nooit meer ziek wordt en van alle kwalen genezen zal worden? De vraag stellen is haar beantwoorden, maar waar de God van Israël beleden wordt en waar de ogen opengaan voor de onderwijzing van zijn tora, daar wordt het isolement van de zieke doorbroken. Dat is wat Jezus in zijn optreden duidelijk maakt, hij gaat de zieke en de ziekte niet uit de weg, hij kijkt hem aan, hij grijpt hem vast, hij bevrijdt hem uit zijn isolement en daarmee brengt hij hem genezing. Het gaat niet om magie! Die mensen daar in Nazareth, die denken, dat wat hij in Kafarnaoem doet, waarom doet hij dat niet hier, in zijn geboorteplaats, hebben het niet begrepen. Jezus doet ten diepste waar de priester uit Leviticus op uit is en Elisa in zijn ontmoeting met Naäman, hij verklaart mensen rein, zegt: jij hoort erbij. Hoe ziek je ook bent, we laten je niet in de steek. En nogmaals, ik zeg niet dat we alle ziekte kunnen genezen. En sinds Roeltje Langenberg, in 1997 overleden aan kanker, mijn scriba was, zal ik nooit meer een genezingsverhaal lezen of uitleggen, zonder stil te staan bij degenen die niet genezen worden. We kunnen het wel bespreekbaar maken, zorgen dat de zieke niet in een isolement raakt. Misschien lukt het ons de angst uit de ziekte en over de ziekte te bestrijden. Het antwoord op het grote waarom kunnen we nooit geven, maar misschien lukt het ons de vraag zo aan de orde te stellen, dat het ruimte geeft. Als kerk hebben we in deze een priesterlijke taak! Op zoek naar verzoening, op zoek naar heelwording, reinheid zelfs daar waar de ziekte totaal de overhand krijgt. Juist toen die verschrikkelijke dodelijke ziekte A.L.S. hem bijna volledig in zijn greep had, werkte Berthil Oosting nog aan zijn laatste boek: Verzoening als verleiding, een nieuwe toegang tot de wondere woorden van het boek Leviticus. Als ik hem goed heb begrepen, wil hij ons dit zeggen: Het gaat hier misschien niet om de bevrijding uit de crisis, maar om het inzicht dat we, zelfs in de diepste crisis, bevrijde mensen kunnen zijn. Exodus is het boek van de bevrijding, Leviticus dat van de verzoening. We hebben beide nodig als ons dagelijks brood.

Amen.

Dit bericht is geplaatst in Preken. Bookmark de permalink.