Dienst van Schrift en Tafel
op Witte Donderdag 2011 (21 april 2011)
Tora-lezing: Exodus 12 : 1 – 14
Evangelie-lezing: Johannes 13 : 1 – 15
(vertaling Jan Nieuwenhuis)
Voor het feest van Pascha
toen Jezus wist dat zijn uur gekomen was
om uit deze wereld over te gaan naar zijn Vader,
toen heeft hij de zijnen in de wereld liefgehad,
tot het uiterste heeft hij hen liefgehad.
En terwijl de avondmaaltijd gehouden werd
en de tegenstander reeds aan Judas, de zoon van Simon Iskariot,
op het hart gedrukt had om hem over te leveren
– in het bewustzijn dat de Vader hem alles in handen had gegeven
en dat hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, –
stond hij van tafel op en legde zijn kleren af
en nam een linnen doek en omgordde zich daarmee.
Vervolgens goot hij water in het wasbekken
en begon hij de voeten van de leerlingen te wassen
en ze af te drogen met de doek waarmee hij omgord was.
Zo komt hij bij Simon Petrus.
En deze zegt tot hem: Heer, was jij mij de voeten?
Jezus gaf hem ten antwoord:
Wat ik doe, weet je nu nog niet,
maar later zul je het inzien.
Petrus zegt hem: Jij zult mij de voeten niet wassen,
in der eeuwigheid niet!
Jezus antwoordde hem:
Als ik je niet was, zul je geen erfdeel met mij hebben.
Simon Petrus zegt hem:
Heer, dan niet mijn voeten alleen, maar ook de handen en het hoofd!
Jezus zegt hem:
Wie een bad heeft genomen,
hoeft zich niet meer te wassen
– behalve de voeten –
maar is geheel rein.
Ook jullie zijn rein,
maar niet allemaal.
Want hij wist wie hem zou overleveren;
daarom zei hij:
maar jullie zijn niet allemaal rein.
Nadat hij hun voeten had gewassen,
zijn kleren weer had aangetrokken
en weer aan tafel was gaan liggen, zei hij tot hen:
Begrijpen jullie wat ik jullie gedaan heb?
Jullie, – jullie noemen mij:
de meester en de Heer,
en dat zeggen jullie terecht,
want ik ben het.
Wanneer dus ik jullie de voeten heb gewassen,
ik – de Heer en de leermeester,
dan moeten jullie ook elkaar de voeten wassen.
Want ik heb jullie een toonbeeld gegeven,
opdat zoals ik jullie heb gedaan,
ook jullie zullen doen.
Overweging
Lieve vrienden,
Als het populairste woord van de afgelopen tien jaar gekozen zou moeten worden, dan sluit ik niet dat de keuze valt op het woord “leiderschap”. Voor de generatie die in en kort na de tweede wereldoorlog is opgegroeid, was dit woord min of meer taboe. Het verwees naar het leiderschapsbeginsel, op z’n Duits het “Führerprinzip” en daar wilden we niets meer mee van doen hebben. Geleidelijk aan groeide in die tijd het besef dat autoriteit en leiderschap de oorzaak was van alle mogelijke trauma’s bij kinderen, die hun verdere leven negatief zouden beïnvloeden. De wereld moest anders, minder autoritair, sommigen zeiden zelfs antiautoritair worden ingericht en kinderen moesten in die trant worden opgevoed. Die gedachte is volstrekt verdwenen. Van de drie cursussen die er tegenwoordig in het bedrijfsleven worden gegeven gaan er pakweg twee over leiderschap. En niet alleen in het bedrijfsleven. In de afgelopen jaren werden aan ons als predikanten maar liefst twee keer een leiderschapscursus aangeboden, kennelijk vanuit de veronderstelling dat predikanten de leiders – of minstens de morele leiders – van hun gemeentes zijn en dat ze voor die functie getraind en toegerust zouden moeten. Of het komt door de tijd waarin ik geboren ben of door het feit dat ik me als kerkhistoricus vooral bezig heb gehouden met de Tweede Wereldoorlog, weet ik niet, maar mij staat en stond het tegen en ik heb dus nooit meegedaan aan zo’n cursus. Heel misschien heeft het ook te maken met mijn meest favoriete tekst uit de bijbel. Matth. 20:25: “U weet dat de leiders van de volkeren heerschappij over hen voeren, en de groten gezag over hen uitoefenen, maar zo zal het onder u niet zijn, maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn.”. Ik weet niet of de evangelist Johannes deze tekst van zijn collega Mattheus heeft gekend, maar het is wel precies het thema, dat hij uitwerkt in zijn verhaal over de voetwassing. De opdracht van Mattheus is dus in overeenstemming met zijn Bergrede een opdracht tot navolging. Jezus zelf is het in de eerste plaats die groot is geworden door ons aller dienaar te zijn. Daar hoort een bepaalde houding bij, de houding die door de apostel Paulus werd omschreven als “een ieder voortreffelijker achten dan u zelf”. Het zijn allemaal begrippen en uitspraken waarmee de generatie van mijn ouders nog vertrouwd waren, maar ze hebben in onze tijd afgedaan. Zorgzaamheid, voorrang geven aan de ander, jezelf dienstbaar opstellen, begrippen uit een ander tijdsgewricht. Assertief zijn, zelfbewustzijn ontwikkelen, voor jezelf op durven komen, dat zijn de deugden van onze tijd. Egoïsme als gezond uitgangspunt. Als er ergens in de wereld een ramp gebeurt en er mensen op de vlucht slaan voor de ellende, hebben we het niet eens meer over de ramp die hen overkomen is, maar het eerste wat we roepen is: als ze maar niet onze kant op komen, als ze maar niet mee willen delen in onze rijkdom. Binnen één generatie zijn we van misschien wel het meest tolerante land ter wereld een xenofoob en hufterig volk geworden. Toen Koot en Bie het zo’n dertig jaar geleden in hun onsterfelijke creatie van Jacobse en Van Es hadden over “samen voor ons eigen”, was dat ironisch bedoeld, een partij die dat nu als uitgangspunt neemt, haalt moeiteloos een kwart van de stemmen en minstens nog een kwart vindt dat ze ergens wel gelijk hebben. Ja, misschien hebben ze ergens wel gelijk, maar dat ergens is niet de kerk van Jezus Christus, want daar gelden andere regels. Daar wordt geleerd dat heersen dienen is en dat niemand zich boven een ander verheven mag voelen. En u kent me goed genoeg, dat ik daarmee niet bedoel, dat u in twee werelden moet leven, de wereld van kerk en geloof en zondag en de wereld van alledag waar andere wetten gelden. Nee, wij zijn geroepen om ons in te zetten om die woorden van Jezus, die wijze van leiderschap, die Jezus aan ons heeft voorgeleefd, om die uit te dragen en voor te leven in de wereld van alledag. Hij heeft ons een voorbeeld gegeven. We kunnen hele bibliotheken volschrijven met theologie, maar ten diepste is de boodschap heel eenvoudig, het gaat om de navolging, het gaat erom dat we het voorbeeld van Jezus serieus nemen en met elkaar proberen te bedenken hoe we dat voorbeeld zo goed mogelijk kunnen volgen. Ik heb u wel eens verteld, dat de dienst van de Witte Donderdag voor mij de mooiste dienst van het jaar is. Zo mooi, dat ik die ook dit jaar niet wilde missen. Afgelopen maandag overleed mijn moeder, morgen gaan we haar begraven, maar ik zou niet weten waar ik meer troost zou moeten vinden dan aan de tafel van de Heer. Dat ik deze dienst zo mooi vind heeft te maken met de gedekte tafel en de sfeer van saamhorigheid die dat oproept, dat je je zo heel erg samen gemeente kunt voelen, meer dan wanneer jullie daar in de zaal zitten en ik ervoor sta. Maar het heeft ook te maken met het thema van deze dienst, het thema van de voetwassing, het thema van de dienstbaarheid, dat het hart vormt van het evangelie. Dat je de vrede met elkaar kunt beleven, dat je die aan elkaar door kunt geven, doordat je Jezus zelf aan elkaar doorgeeft, natuurlijk symbolisch, maar gelooft u me symbolisch is echter dan echt, het symbool stelt ons in staat om het jaar na jaar opnieuw te beleven, opnieuw tastbaar, opnieuw echt te maken. Laten we zo beginnen aan deze reeks van dagen die meer dan wat ook de kern van ons geloof, de kern van het christendom uitmaken. Lijden en opstanding. De bereidheid om als het moet te lijden omwille van het koninkrijk en het geloof in de opstanding, in het steeds weer nieuwe begin. Ik wens jullie vrede.. en alle goeds. Amen.